Gastreaksionair Sebastien Valkenberg dient Scherprechter van repliek
Paul Scherprechter windt zich op omdat ik een kritische column schreef over het communisme. Eigenlijk was ik kritisch op de gratuite omarming van het communisme door schrijvers, steeds opnieuw. Maar waaróm Scherprechter zich opwindt, dat wordt me niet duidelijk. Ik verdwaal in een warboel aan verwijten en argumenten. Ik loop ze langs.
Ik ben filosoof, trapt Scherprechter af, en daar stoort hij zich sowieso al aan. Dus nog voordat mijn column is begonnen, en ongeacht mijn standpunten, sta ik al met 1-0 achter.
Ik heb het over ‘de eeuwige terugkeeer van het communisme’ terwijl dit politieke systeem minder dan honderd jaar oud is. Scherprechter heeft gelijk: dat is inderdaad niet eeuwig. Ik bedoelde het overdrachtelijk.
Scherprechter zondigt trouwens zelf ook. Ja, als het communisme nog bestaat in 2726, schrijft hij, dan mag het van hem wel eeuwig heten. Nu is Scherprechter te mild voor zichzelf. Heel lang is nog niet eeuwig. Laat hij het letterlijkheidscriterium zo streng toepassen als hij bij mij doet.
Overigens was de woordkeuze (‘eeuwig’) vooral bedoeld als een verwijzing naar een boekje dat hij, gezien zijn fascismevrees, ongetwijfeld kent: De eeuwige terugkeer van het fascisme (2010) door Rob Riemen.
Ik zou Ilja Leonard Pfeijffer zijn puberale flirt met het communisme misgunnen. Dat lijkt me een te milde behandeling van het orakel uit Genua. Vrijwel wekelijks pleit hij voor de ondergang van het kapitalisme. Eerder schreef hij meer te zullen consumeren en zich er bijna op verheugde ‘om eraan te gaan bijdragen dat het kapitalistische feestje volledig uit de hand loopt. Elke natuurramp kan ik dan gaan vieren als een persoonlijk succes.’
De vernietigende kracht van de overstroming of aanhoudende droogte als middel om ons een lesje te leren – en een samenleving te forceren die op communistische leest geschoeid is? Niets wijst op een puberale aandachttrekkerij. Pfeijffer bedoelt het doodserieus, dus ga ik serieus op in.
Ik zou Pfeiffer z’n hypocrisie misgunnen, omdat hij het communisme verheerlijkt, terwijl hij woont in een 15e eeuws palazzo, dat hij heeft kunnen kopen van de verkoop van zijn boeken. Hij laat zich de vruchten van het kapitalisme goed smaken. Het zij hem gegund, maar het maakt zijn standpunt niet sterker als hij het zelf niet voorleeft.
Ik zou te weinig voorbeelden noemen voor de hypothese dat vooral schrijvers vatbaar lijken voor de communistische verleiding. Nou ja, geeft Scherprechter, toe, naast Pfeiffer noem ik ook nog Gustaaf Peek. Maar verder? Vervolgens verwijs ik ook nog naar Anja Meulenbelt, maar die telt dan weer niet mee omdat ze, zo begrijp ik, als schrijver niet serieus te nemen is. Mag ik Scherprechter erop wijzen dat zij onlangs de P.C. Hooft-prijs kreeg?
Mocht het verwijt blijven luiden dat het nog steeds maar drie schrijvers zijn, dan beken ik schuldig. Ik heb slechts een paar honderd woorden voor mijn column. Waren dat er meer geweest, dan had ik ook Harry Mulisch nog genoemd, en Jean-Paul Sartre.
Overigens heb ik niet de illusie dat dit wel genoeg schrijvers waren geweest. Dan had het verwijt kunnen luiden: slechts vier of vijf schrijvers. Als iemand niet overtuigd wíl worden…
Tot slot maak ik me zorgen over het communisme terwijl ik dat zou moeten doen over het fascisme, dat zich zelfs in bordspellen (?) zou manifesteren. Ik sluit me aan bij Scherprechters eigen woorden: ik voel niet dezelfde behoefte als Thomas von der Dunk om daar elke week voor te waarschuwen. Kleine correctie: ik voel niet de behoefte om daar dagelijks voor te waarschuwen. De fascisme-waarschuwing staat namelijk al vrijwel dagelijks in verschillende kranten. Bij wijze van tegenwicht wilde ik nu eens wijzen op de hardnekkige populariteit van een ideologie die zo’n 100 miljoen doden heeft gemaakt.

In afwachting van uw reaksie verblijven wij