Reaksie #035

Sebastien Valkenberg was zo ridderlijk om te reageren op mijn Reaksie op zijn column. Hij bleek één en ander nog een beetje onduidelijk gevonden te hebben: waarom ik mij nou eigenlijk zo ‘opwond’ bijvoorbeeld. Omdat ik ook de beroerdste niet ben, zal ik mijn gedachten over het rode gevaar nogmaals uit de doeken doen. Ik leer snel, dus zal dat net zo stapsgewijs proberen aan te vliegen als Valkenberg in Reaksie #033, zodat de goede man niet weer ‘verdwaalt in een warboel van verwijten en argumenten’. 

Verwijten

Laten we voor de gezelligheid dan maar met de verwijten beginnen. Ik wist er in Reaksie #030 zelf zes te vinden:

  1. Sebastien Valkenberg ‘slaat door in zijn kritiek op linkse bekrompenheid’
  2. Sebastien Valkenberg velt een oordeel over een lezing die hij (vermoedelijk) niet bijwoonde, en is dus slecht geïnformeerd.
  3. Sebastien Valkenbergs aanleiding voor zijn kritiek op Pfeiffer was ‘dunnetjes’.
  4. Sebastien Valkenberg introduceert daarom maar de ‘bizarre stelling’ dat schrijvers een natuurlijke hang naar het communisme hebben.
  5. Sebastien Valkenberg heeft onvoldoende nagedacht over die boude stelling. 
  6. Sebastien Valkenbergs column is alarmistisch en tendentieus.

Het eerste verwijt, dat meer een warmmakertje was dan deel van mijn betoog, had betrekking op het werk van Valkenberg in het algemeen. Ik schreef over een ‘heilige oorlog van Sri Theo van Gogh’, waarbinnen ik Valkenberg als kruisvaarder identificeerde. Dat schudde ik niet zomaar uit de mouw. Lees bijvoorbeeld dit interview, waarin Valkenberg ‘woke’ de schuld geeft voor het dommer worden van de samenleving, omdat de wokies [red. Tugendwächter] (niet te verwarren met Wookies, die intelligenter zijn dan ze lijken) inhoudelijke discussies verruilen voor oppervlakkig identiteitsdenken. In zijn betoog stelt hij excessen, bijvoorbeeld Amerikaanse docenten die geen afbeeldingen van Mohammed durven te laten zien, voor als de stand van zaken. Die theorie gaat mij nogal ver (hij ‘slaat door’), en is even waarschijnlijk als de stelling: de studie filosofie maakt de samenleving slimmer. Het zou kunnen, maar zal wel niet zo zijn.

De andere vijf verwijten gingen wel over de column zelf. Ze zijn samen te vatten als ‘Sebastien Valkenberg wil zijn lezers van alles wijsmaken maar heeft niet de tijd genomen voor een degelijke onderbouwing’. Ik verwijt Valkenberg dus eigenlijk vooral intellectuele luiheid. Daar is niets mis mee totdat die luiheid de oorzaak van misleiding is. Ik vind het dan ook ernstig dat Valkenberg (op basis van nagenoeg niets) zijn FD-lezers bang maakt voor een mogelijke Goelagarchipel op de TVTAS en een Politburo van schrijvers in het Torentje (hoewel de nieuwe hoofdstad van een communistisch Nederland waarschijnlijk eerder in Groningen zou komen te liggen).

Argumenten

Ik heb deze ‘verwijten’ geprobeerd te motiveren met twee argumenten:

  1. Valkenberg onderbouwt zijn boude stelling dat schrijvers een hang naar communisme hebben onvoldoende.
  2. Er gaat momenteel geen dreiging uit van het communisme of met communisme dwepende schrijvers. 

Ik wil echter beginnen met een drogreden die ik volgens Valkenberg gebruikt zou hebben. In de eerste alinea van mijn Reaksie schreef ik dat ik me nog meer erger aan filosofen dan aan communisten. Nu zou ik daarbij willen aantekenen dat het een het ander niet uitsluit, en communisten eigenlijk dezelfde vervelende eigenschappen hebben als filosofen. Valkenberg vond het vooral een lage zet: ‘Ik ben filosoof, (…) en daar stoort hij zich sowieso al aan. Dus nog voordat mijn column is begonnen, en ongeacht mijn standpunten, sta ik al met 1-0 achter.’

Tsja, de reductio ad hominem (of ad filosofem, dat moeten we aan Graaf Macula vragen). Ik houd er wel van. Het is een retorisch trucje, een drogreden. Op iemands persoon of achtergrond wijzen in een discussie is niet zo netjes, en zeker in de traditie der wijsbegeerte not done [(red.) das gehört sich nicht] (behalve als we er Schopenhauers Kunst van het gelijk krijgen (1864) op na slaan). Volgens Valkenberg is dat een typische zwendel van woke: ‘het onderzoeken van teksten gaat ineens niet meer om inhoudelijke argumenten, maar bijvoorbeeld om de vraag wie het heeft geschreven’. Als die achtergrond irrelevant is binnen een betoog, hoort het er inderdaad niet thuis. Als ik bijvoorbeeld gezegd had dat die Valkenberg niet spoorde omdat hij cabaret maakt met Maarten Boudry (wat overigens wel waar is), dan zou ik iets bij mijn verhaal betrekken dat niets te maken heeft met wat ik wilde zeggen. 

Maar Valkenbergs identificatie als filosoof (zoals naar voren komt op zijn blog) raakt aan de kern van mijn kritiek op zijn column. Mijn bezwaar tegen filosofen is dat ze er al te vaak van uitgaan dat iets wat mooi klinkt ook waar is. Dat probleem signaleerde ik ook in Valkenbersg column, toen hij schreef dat schrijvers ‘hetzelfde uitgangspunt als de communisten [delen]’, en zich daarom zo vaak laten verleiden door de ideologie. Schrijvers en communisten zien de wereld namelijk als volkomen maakbaar: ‘Niets staat vast, en wie geeft er om de feiten? Die scheppen ze zelf. Ze hebben enkel te maken met hun verbeeldingskracht.’ In Reaksie #033 formuleert Valkenberg het nog gedurfder: zijn hypothese was dat ‘vooral schrijvers vatbaar lijken voor de communistische verleiding’. 

Volgens mij hoef je maar een boek open te slaan van een willekeurige communist om erachter te komen dat óf zodra je eenmaal verleid bent door het communisme al je gevoel voor bellettrie als sneeuw voor de zon verdwijnt, óf dat het helemaal niet ‘vooral schrijvers’ zijn die de charme van het communisme inzien. Als we communisme-expert en emeritus-hoogleraar Oost-Europese studies Erik van Ree mogen geloven behoren de op band ingesproken memoires van Chroestjov, die nota bene  zelf hoogfunctionerend analfabeet was, tot de meest leesbare geschriften die het communisme heeft voortgebracht’.

Ik vond Valkenbergs these dan ook absurd, en noemde hem ‘bizar’ (zie verwijt #4). Omdat ik als kille rationalist vatbaar ben voor argumenten, stelde het me teleur dat ook zijn voorbeelden gebrekkig waren (argument #1). Ik weet heus wel dat Valkenberg voor zijn column maar ‘een paar honderd woorden’ heeft, maar misschien is dat dan ook niet de plaats om dergelijke wilde theorieën te introduceren. Als je dat toch per se  wil doen, bijvoorbeeld omdat je een filosoof bent en het niet laten kunt, moet je erg goed nadenken over adequate voorbeelden. In Reaksie #033 doet Valkenberg mijn kritiek op zijn voorbeelden (Gustaaf Peek en Anja Meulenbelt) af als gammel: ik zou toegegeven hebben dat Peek wel degelijk een goed voorbeeld is, en hij legt mij in de mond dat Anja Meulenbelt ‘niet zoveel voorstelt’ terwijl zij net de P.C. Hooftprijs gewonnen heeft. 

Daarmee verdraait Valkenberg mijn woorden. Ik schreef dat hij ‘naast Pfeijffer geen adequate hedendaagse voorbeelden’ genoemd had. Daarmee bedoelde ik dat, wilde Valkenberg zijn these enigszins aannemelijk maken, hij voorbeelden van schrijvers had moeten noemen die zowel representatief zijn voor een breder fenomeen als actueel. Aan de hand van die criteria vond ik Gustaaf Peek geen goed voorbeeld omdat niemand hem kent. Als bewijs daarvoor noemde ik zijn aanwezigheid op het Revolutionair Socialistisch Poëziefestival begin dit jaar (ik woon lezingen waarover ik schrijf wél gewoon bij), waar naast hem namen als Hannah van Binsbergen en Frank Keizer optraden. Zeg nou eens eerlijk, spelen die ook maar enigszins een rol in het publieke debat?

Meulenbelt vond ik geen ‘adequaat hedendaags voorbeeld’ om twee redenen. Ten eerste ligt het meer voor de hand dat haar hang naar communisme voortkomt uit haar affiliatie met de Socialistische Partij, waarvoor ze tussen 2003 en 2011 in de Eerste Kamer zat, dan uit haar schrijverschap. Ik noemde haar daarom ‘meer politicus dan schrijver pur sang’. Daarmee probeerde ik niet haar verdiensten voor de Nederlandse literatuur te ontkennen: hoewel het winnen van de P.C. Hooftprijs niet hoeft te betekenen dat het opeens leuk is om iemands boek te lezen (iedereen kan wel een schrijver aanwijzen die ze vervelend vinden in de lijst van laureaten, voor mij is dat Hugo Brandt Corstius). Ten tweede vond ik Meulenbelt geen goed hedendaags voorbeeld, omdat ze niet de jongste meer is. Valkenberg mag me hooguit beschuldigen van leeftijdsdiscriminatie, wat overigens een zeer ernstig vergrijp is waar mijn collega-schrijvers van De Reaksie u meer over kunnen vertellen. 

Trouwens, die lijst van laureaten is een mooie casus die Valkenbergs these eveneens ontkracht. Zou het niet moeten wemelen van de communisten in die eregalerij van de Nederlandse literatuur? Dat valt helaas reuze mee. Er staan wat fellow travellers [(red.) Mitläufer] van het allooi Mulisch, maar ik heb slechts één zuivere communist kunnen vinden (Theun de Vries). Ik trof minstens zoveel anti-communisten aan, zoals de broertjes Van het Reve die in hun schrijverschap juist van het communisme afvielen. Als we een van onze gastreaksionairen mogen geloven, staat er zelfs in de persoon van Lucebert een fascist op de lijst (hoewel ik persoonlijk van mening ben dat we de kunst van de kunstenaar moeten scheiden). Van een overweldigende hoeveelheid communisten is in ieder geval geen sprake.

Dan mijn tweede argument. De waarschuwende toon van Valkenbergs column is alarmistisch (verwijt #6), omdat er geen dreiging uitgaat van het communisme, en al helemaal niet vanuit schrijvers. Valkenberg maakte in zijn weerwoord duidelijk waarom hij wilde waarschuwen voor het communisme. ‘De fascisme-waarschuwing’ zou ‘al vrijwel dagelijks in verschillende kranten’ staan. Hij wilde ‘bij wijze van tegenwicht (…) nu eens wijzen op de hardnekkige populariteit van een ideologie die zo’n 100 miljoen doden heeft gemaakt’. Ik schreef dat het communisme niet terug is, aangezien we het wel zouden merken als het dat wel zo was. Omdat ik maar een paar honderd woorden voor mijn column had, heb ik dat toen niet verder onderbouwd. Een simpele vraag bewijst echter mijn gelijk: waar in de Westerse wereld manifesteert het communisme zich als significante politieke kracht? Heb ik gemist dat Jimmy Dijk met zijn drie zetels op de een of andere manier een dictatuur van het proletariaat heeft kunnen vestigen? 

Het fascisme is wel terug: Poetin, Meloni, Netanyahu, Le Pen, Trump, om maar wat namen te noemen. De kranten berichten daarover omdat dat hun werk is. Hadden De Volkskrant, Trouw of NRC (ik neem aan dat dat die kranten van Valkenberg zijn) al hun berichtgeving over Geert Wilders moeten staken? Want maakte Geert Wilders volgens Rob Riemen (van wie ik nog nooit gehoord had omdat ik geen boeken lees van mensen die zichzelf filosoof noemen) niet ook deel uit van die eeuwige terugkeer van het fascisme?

Overig zeer

Er rest mij tot slot alleen nog enkele randzaken te bespreken die Valkenberg in Reaksie #033 nogal uit proportie trekt. Om te beginnen stoort hij zich aan mijn opmerking dat het woord ‘eeuwig’ in de titel van zijn column misplaatst is. Ik begon daarover om meteen duidelijk te maken dat het ging om een column waarin overdreven werd, zoals duidelijk wordt uit de afsluiting van de desbetreffende alinea: ‘[de] kop geeft veel weg over Valkenbergs column, waarin de door het lot gefêteerde lezers van FD bang gemaakt worden voor de verkeerde dingen.’

Valkenberg las me naar aanleiding daarvan de les over het verschil tussen letterlijk en figuurlijk bedoelde woorden, en zelfs de definitie van het woord ‘eeuwig’. Ik schreef dat het communisme eeuwig genoemd mag worden als het er over zevenhonderd jaar nog is, waarop Valkenberg reageerde met ‘heel lang is nog niet eeuwig’. Ook zou ik mijn ‘letterlijkheidscriterium’ niet consequent toegepast hebben. Zonder te willen verzanden in een semantische discussie – ik ben, zoals u begrijpt, immers geen filosoof – wil ik erop wijzen dat als je ‘eeuwig’ letterlijk neemt het juist wel gaat om een opeenvolging van veel eeuwen, in plaats van ‘eindeloos’, zoals Valkenberg suggereert. Als eeuwig ‘eindeloos’ betekent, nemen we het juist figuurlijk. 

Valkenberg neemt de dingen zelf trouwens ook nogal letterlijk. Hij schrijft dat we Pfeijffer ‘doodserieus’ moeten interpreteren wanneer hij in een column beweert dat hij natuurrampen wil vieren als persoonlijk succes. Ik zie niet in waarom we een schrijver ooit letterlijk moeten nemen: het lijken me bij uitstek mensen voor wie een ‘figuurlijkheidscriterium’ zou moeten gelden. Lezen we in Pfeijffers uitlatingen over het communisme geen stoerdoenerij en cynisme, hyperbolen om een pessimistische tijdsgeest weer te geven? Ach, ik ben ook geen literatuurwetenschapper. Maar Valkenberg ook niet. Reaksie #033 heeft me in andere woorden niet kunnen overtuigen van enige reden om Pfeijffer te vrezen. Hij mag dan ‘wekelijks pleiten voor de ondergang van het kapitalisme’, maar doet dat met erg weinig succes – of ik heb weer eens een revolutie gemist. 

Kan ik het tot slot dan tenminste met Valkenberg eens worden dat Pfeijffer niet gevaarlijk, maar wel een hypocriet is? Ja, tot op zekere hoogte wel. Het enige dat me daarbij dwarszit, is dat ik van diezelfde Valkenberg geleerd heb dat ‘inhoudelijke argumenten’ het primaat zouden moeten hebben boven ‘de vraag wie het heeft geschreven’. Is het volgens die moraal dan relevant om te verwijzen naar de materiële omstandigheden van Pfeijffer? En áls Pfeijffers palazzo dan toch zijn pleidooi voor een gelijke verdeling van het kapitaal deerlijk afzwakt, waarom zouden we ons dan zorgen hoeven te maken over zijn communistische campagne?

Wat wel een gevaar is voor de democratie, zijn holle waarschuwingen voor fascisme, communisme of wat dan ook. Daar bestaat een mooi sprookje over, van dat kleine mofje dat voor de grap roept dat de wolven komen. Wanneer hij dan op een dag daadwerkelijk een roedel wolven het dorpje Balzhausen (zo stel ik me voor) binnen ziet stormen, gelooft niemand de pathologische leugenaar en worden de Balzhausenaren met huid en haar verslonden. Ieder kind weet dat je niet 112 moet bellen als er niks aan de hand is, Valkenberg diep van binnen denk ik ook.

Moedig voorwaarts met gebalde vuist,

Paul Scherprechter

Havana, 17-6-2026

De standpunten in deze bijdrage zijn niet noodzakelijkerwijs representatief voor die van de Redaksie en deze is uiteraard niet verantwoordelijk voor uitlatingen van individuele auteurs. Toch voelt de Redaksie zich genoodzaakt om afstand te nemen van elke suggestie dat Erik van Ree een neutrale autoriteit is, gezien zijn raciale karakterisering van Lenins gelaat als een ‘tataars, demonisch vollemaansgezicht’ in De communistische beweging van Marx tot Kim Jong Il (2005).  



In afwachting van uw reaksie verblijven wij

Ontdek meer van De Reaksie

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder