Dit artikel is gesponsord door de Raheem al-Metternich Universität.
DE REAKSIE vindt het altijd leuk wanneer een oude vriend in het zonnetje wordt gezet. Al helemaal als die vriend de rector magnificus van de voormalige gemeente-universiteit van Amsterdam is, die onder de indrukwekkende initialen P.P.C.C.V. door het leven gaat. Dinsdag jongstleden trakteerde De Volkskrant hem op een uitgebreid interview (inclusief een fraai portret, genomen op het o zo lelijke Roeterseiland waar de o zo olijke Peter-Paul Verbeek resideert).
Na het lezen van het stuk maakten we ons eigenlijk een beetje zorgen om Peter-Paul. Hij leek tijdens het interview weer last gekregen te hebben van zijn terugkerende allergie voor het innemen van een standpunt. Meestal is dat een symptoom van wat geleerden het D66-syndroom noemen – Terlouwtyfus in de volksmond. Peter-Pauls aandoening is hardnekkiger, aangezien het een beroepsafwijking betreft. De goede man is namelijk ‘van huis uit ethicus’ (ach, de filosofie! Hemels paradijs van holle frasen!). Dat houdt in dat hij onderzoekt wat goed en fout is, of, preciezer, wat volgens een aantal dode racisten en Hannah Arendt goed en fout is. Toen hij in oktober 2022 aantrad als bestuurder van de voormalige gemeente-universiteit van Amsterdam kreeg hij de kans die inzichten eindelijk in de praktijk te brengen.
In het interview gaat Peter-Paul in op zijn gedachten over de betrekkingen tussen de voormalige gemeente-universiteit en het land Israël. Sommige studenten, medewerkers en docenten vinden dat alle banden met Israël verbroken moeten worden (om duidelijk te maken dat het een schurkenstaat is).Andere studenten, medewerkers en docenten, en trouwens ook Theodor Holman, zijn het daarmee oneens. De kloeke Peter-Paul beschrijft hoe hij koers houdt tussen Scylla en Charybdis (het woord ‘koers’ gebruikt hij graag). Een middenpositie is volgens hem de meest ethische houding: ‘ons uitgangspunt blijft dat we de academische vrijheid verdedigen binnen ethische grenzen’. Peter-Paul ziet academische contacten tussen de voormalige gemeente-universiteit en Israëlische instellingen dus graag behouden, behalve wanneer zijn adviescommissie zou concluderen dat een samenwerking onethisch is.
De briljante kunstgreep van Peter-Paul is dat hij niet uitlegt wat de lezer moet verstaan onder die ‘ethische grenzen’ – een goochelaar vertelt nooit zijn geheimen. Hij komt daardoor over als de redelijkheid zelve. Ligt de in 2024 aangenomen wet die de Israëlische minister van Onderwijs toestaat universitair docenten zonder waarschuwing te ontslaan, wanneer hij ze van ‘terroristische sympathieën’ verdenkt, binnen ethische grenzen? P.P.C.C. de ethicus zal het wel weten, die heeft ervoor gestudeerd. U hoeft ‘s nachts niet te malen over dergelijke vragen!
Tussen de regels door vertelt Peter-Paul De Volkskrant toch best merkwaardige dingen. Hij verwerpt bijvoorbeeld een potentiële boycot van Israëlische instellingen omdat dat een ‘fundamentele keuze’ zou zijn, en ‘dat is iets voor een regering, niet voor een universiteit.’ Maar waarom zou een universiteit geen ‘fundamentele keuzes’ mogen maken? Hij lijkt vergeten te zijn dat hij naast ethicus ook rector magnificus is, lid van een college van bestuur. In die hoedanigheid draagt hij de verantwoordelijkheid om lastige en harde beslissingen te nemen. Dat is geen moreel appel – niemand verzoekt hem een zwart vierkantje op sociale media te plaatsen – maar gewoon zijn functieomschrijving. Het leuke aan een vrij land is dat universiteiten een politieke identiteit mogen uitdragen. Dat kan zelfs belangrijk zijn in een tijd waarin onze regering, die in zijn huidige demissionaire staat overigens strikt genomen helemaal geen ‘fundamentele keuzes’ mag maken, het liefst elke dag met Benjamin, Viktor, Donald, en Vladimir naar de Efteling zou gaan. Als Peter-Paul de vraag ‘moet de universiteit haar banden verbreken met Israël, de ja of de nee’ dus beantwoordt met ‘ik begrijp beide kanten’, doet hij domweg zijn werk niet goed.
Ook De Reaksie heeft ervaring met de glibberige glimlachdiplomatiek van Peter-Paul. Nadat meer dan duizend betrokkenen onze petitie om de sluiting van de P.C. Hoofthuisbibliotheek te voorkomen getekend hadden, hebben we hem en zijn trawanten, Edith Hooge en Jan Lintsen, een brief gestuurd met onze eisen. We schreven dat we de sluiting van de ‘prettige en zeer functionele bibliotheek’ zeer zouden betreuren, en verzochten hen daarom om die beslissing ‘terug te draaien.’ Wonder boven wonder ontvingen we een reactie waarin het College van Bestuur de bieb ‘een fantastische plek’ noemde. Peter-Paul had Lintsen, die de brief geschreven had, zelfs aangemoedigd om een beetje te experimenteren met creatief schrijven (hij volgde rond die tijd de cursus ‘hoe schrijf ik een roman?’ bij Crea): ‘de rust, het licht dat op verschillende manieren naar binnen valt, de boekenkasten die zorgen voor een natuurlijke afscheiding of demping’, dat alles maakte de bieb volgens Lintsen een geweldige plek. Het college van bestuur wond er dus geen doekjes om: het was het met ons eens dat de bieb een toffe plek was. Waarom ging de sluiting dan toch door? Omdat het college het ook eens was met de mensen die vonden dat de bieb gesloten moest worden, en vervangen voor het faux futuristisch horrorziekenhuis dat in september open gaat.
Snapt u het probleem? Je kunt als rector niet iedereen tevreden stellen, en dat moet je ook niet willen. Wij hadden liever gezien dat het universiteitsbestuur ons op de man af vertelde dat Peter-Paul boeken haat en Edith Hooge de P.C. Hoofthuisbibliotheek een verouderde stoffige kutplek vindt dan het gezapige gepaai dat we kregen. Een bestuurder moet zich niet schamen voor het standpunt dat hij inneemt, en ook niet doen alsof hij alle studenten begrijpt. Studenten hoeven het namelijk niet per se eens te zijn met hun rector magnificus. Wel is het belangrijk dat een rector magnificus het eens is met zichzelf.
Het hinderlijke aan Peter-Paul is dan ook niet dat hij laffe politieke beslissingen neemt, maar dat hij daar niet eerlijk over is. Het is huichelachtig dat hij in De Volkskrant dweept met zijn ethische, genuanceerde wereldbeeld alsof het iets uitzonderlijks en bewonderenswaardigs is. Peter-Paul wil te graag de goeiige Brabander met de nonchalante glimlach zijn, de onverveerde ethicus met een hart voor de academische zaak. Hij werpt zichzelf meermaals in het interview op als beschermer van het vrije woord (‘ik wil mijzelf geen messiascomplex aanmeten’), en vindt dat de universiteit ‘soms ook heel onveilig [mag] voelen, met ideeën die schokkend zijn en waar je het niet mee eens bent’. Hoewel het hartstikke mooi en fijn is dat Peter-Paul ruimte wil bieden aan verschillende perspectieven (zijn universiteit is ‘een vrijplaats voor verschil’), is het spijtig dat hij zichzelf niet mengt in het academische spel. Hij is er als het ware boven verheven.
Een illustrerend voorbeeld, tot slot, was zijn sluwe antwoord op de vraag van Folia of er een genocide plaatsvindt in Gaza. ‘Het zou heel aanmatigend zijn als ik zou kunnen denken dat ik vanuit mijn kantoortje als rector zou kunnen vaststellen dat er een genocide plaatsvindt’, zei Peter-Paul. De Reaksie vindt het vrij potsierlijk dat het hoofd van universiteit, een instelling die draait om debat en voortschrijdend inzicht, het hebben van een mening ‘aanmatigend’ vindt, maar ziet ook dat als geheel in lijn met het ethische karakter van P.P.C.C.. Hoe dan ook is onze arme Peter-Paul is de tragische held uit het bekende Litouwse sprookje ‘de bestuurder die niet wilde besturen’.


Geef een reactie op Reaksie #025 – De Reaksie Reactie annuleren