Ik heb de moedige taak op mij genomen om het – nu eigenlijk niemand het er meer over heeft – voor Doortje Smithuijsen op te nemen. Net zoals je bij Nederlands op de middelbare school weleens een stelling in moest nemen waar je eigenlijk niet achter stond. Zo kozen twee vriendinnen van mij ooit het onderwerp abortus en hebben toen geloot wie voor en wie tegen zou zijn… dit werd uiteraard ruzie.
Ik kocht het boekenweekessay Ik zou uw dochter kunnen zijn bij Paagman (voor iedereen die nooit buiten de ring komt: in Den Haag). In combinatie met De schaamte voorbij van Anja Meulenhoff trok mijn aankoop de aandacht van de verkoopster, een vrouw van midden twintig. Iets wat als ik een man was geweest als performatief zou worden weggezet, maar voor een katholieke FLINTA*-vrouw niet meer dan een vanzelfsprekende aankoop is. ‘Heb jij het al gelezen?’ vroeg ik de verkoopster, wijzend op het boekenweekessay. Dat had ze niet, maar ze was wel erg fan van Doortje. Dat er eigenlijk vooral negatieve, nee, woedende recensies op het internet te vinden zijn, daar was ze zich nog niet van bewust.
Er was veel te doen om dit essay. Chef- Volkskrant Magazine Haro Kraak probeerde de verdediging al in te zetten tijdens een Culturele Bagage podcastaflevering over de ‘vibe‘ rondom de boekenweek. Voordat Lotte Krakers en Nina Polak het boek mochten afkraken, moest Kraak eerst de vorm van het essay duiden. Ik zou uw dochter kunnen zijn betreft namelijk een ‘zelfverzekerd’ en ‘stellig’ essay. Een essay waarin de auteur niet probeert een vraag te beantwoorden of iets open te houden, maar gewoon weet hoe het zit.

Iemand die helemaal niet blij was met het boekenweekessay was de dochter van voormalig Volkskrant-hoofdredacteur meneer Remarque en Parool- en Libelle-columniste Sylvia Witteman: Charlotte Remarque. In een Groene Amsterdammer artikel, dat met een soort van De Speld-achtige post op sociale media werd aangekondigd, omschrijft Remarque Junior in circa 500 woorden waarom dit essay niet het lezen waard is. De kern hiervan is het volgende:
‘Ik twijfel ten zeerste of dit onderwerp voor iemand van belang is. Volgens mij is er niemand op aarde die socio-economisch meer op Smithuijsen lijkt dan ik, en zelfs mij kan het niets schelen.’
Charlotte lijkt veel op Doortje: nepo-baby van goede socio-economische komaf, en zou zich dus kunnen vinden in het essayonderwerp van intergenerationele jaloezie onder de geen-koemelk-drinkende elite. Waar Charlotte zich probeert in te dekken voor wat volgt in haar korte recensie – ze weet namelijk dat ze net zo geprivilegieerd is als Doortje, al dan niet meer, en wil daar niet op aangevallen worden – maakt het haar recensie eerder pijnlijk arrogant. Want, zo leert de lezer, als Charlotte Remarque het niets kan schelen, dan is het simpelweg het lezen niet waard.
Hierna volgt een beschuldiging van Charlotte dat Doortje alleen door het CPNB uitgekozen is vanwege haar aantal volgers op Instagram. Over intergenerationele jaloezie gesproken. Gênant ook.
Ook de heer Helmer Stoel levert in de Volkskrant een kritische analyse van het essay, onder de kop ‘In het Boekenweekessay van Doortje Smithuijsen komt zelfspot op de plaats van een kritische analyse’. Een stellig essay, een essay dat zelfs Charlotte niets kan schelen en nu ook nog een essay dat haar kritische analyse vervangt door zelfspot. Wat blijft er nog over?
Volgens Stoel ontbreekt het Smithuijsen aan klassenbewustzijn:
‘Zonder het expliciet te maken, beschrijft Smithuijsen eigenlijk de verbazing van de culturele elite dat er tussen meritocratische idealen en de echte maatschappij een kloof bestaat. Dat hoef je kinderen uit families van praktisch geschoolden of migranten niet uit te leggen.’
Pijnlijk vind ik dat altijd: linkse, witte, hoogopgeleide mannen die migranten en mbo’ers erbij halen als het ze uitkomt, maar waarschijnlijk nog nooit met een van hen in contact zijn gekomen. Frans Timmermans beging deze blunder ook al eens tijdens een televisiedebat – hij zou een AZC in zijn achtertuin hebben. Het voelt vast goed je te distantiëren van mensen die als geprivilegieerd en pretentieus bekendstaan, te zeggen: ja Doortje schrijft nu over een ongelooflijk navelstarende groep randstedelingen die meer bezig zijn met filmhuizen, zuurdesembrood en hun carrière in de culturele sector dan wat er daadwerkelijk in de maatschappij gebeurt – maar ik meneer Stoel, die soms voor de Volkskrant schrijft en soms voor de Groene, ik ben niet zo. Ik zit dan misschien wel in dezelfde socio-economische klasse als Doortje (en Charlotte) maar in tegenstelling tot Doortje schaam ik mij hiervoor; ik spreek me ertegen uit.
Om het nog maar even voor Doortje op te nemen, dat gebrek aan klassenbewustzijn valt hartstikke mee. Zo schrijft ze:
‘Een samenleving waarin de onderwerpen waar u en uw kind over ruziën als gevolg voor velen een leven lang utopisch blijven. Waarin voor al uw teleurgestelde kinderen er veel meer rondlopen die het privilege van deceptie over je eigen welvaart nooit zullen kennen. Een samenleving waarin inzoomen op de eigen welvaart het relativeringsvermogen steeds meer lijkt te verdrukken; waarin het vermogen tot maatschappelijk uitzoomen bij veel van uw kinderen nog sterker lijkt weggezakt dan correct gebruik van het woord ‘letterlijk’.
Interessant genoeg is een lezersbrief het meest duidend, zo schrijft Aisha Mansaray in Trouw het volgende:
‘Ook wij waren vrij geprivilegieerd, maar omdat we onze ouders met eigen ogen de sociale ladder hadden zien beklimmen, was een koophuis of universitaire studie niet per se vanzelfsprekend. Bovendien stonden de seinen om verschillende redenen (een praktisch in plaats van theoretisch schooladvies, een slechte mentale gezondheid, en in mijn geval soms mijn huidskleur) nooit per definitie op groen. Er waren altijd al tegenslagen, net als zoveel andere millennials en boomers in gezinnen zoals het onze.’
U denkt nu misschien: maar Maria Theresia, is dit niet ook gewoon een verdediging? Ik zie dit toch anders. Aisha ontkent haar privileges niet, maar onderscheidt zich door het schetsen van haar persoonlijke situatie, wel van een Stoel of Remarque. Het klopt dat Doortje al deze intersectionele factoren niet in haar essay meeneemt; de hele kleine groep waar ze over schrijft wordt door het lezen van Aisha’s opiniestuk nog kleiner. De Speld grapte al dat haar volgende essay over de ‘De upcoming zuurdesem industry in Amsterdam-Noord’ zou gaan, zodat het essay ‘nog breder aan kan slaan’. In Mansaray’s stuk is geen gêne of jaloezie te herkennen, daar zou menig Volkskrant– en Groene Amsterdammer– journalist nog wat van kunnen leren:
‘Ter verduidelijking: ik misgun Smithuijsen die eer om dit essay te schrijven allerminst. Maar ik ben verbaasd over de bewering dat iedere millennial teleurgesteld zou zijn. Ik leg mijn geluk namelijk niet in handen van een systeem dat toch al niet echt voor mij gemaakt is.’
Ik moet bekennen dat ik het discours rondom het essay interessanter vind dan het essay zelf. Het is een stellend essay, een met zelfspot en ook een zelfverwezenlijkend essay. Juist omdat zich in de recensies uit wat er in het essay staat: jaloezie, schaamte en geldingsdrang. Dit alles gefaciliteerd door de linkse kranten waar ze voor werken. Een mooi schouwspel, waarvoor Doortje Smithuijsen een offer bracht om dit te bewerkstelligen. Een offer in de vorm van een boekenweekessay welteverstaan.
De standpunten van Maria Theresia vertegenwoordigen niet noodzakelijk de standpunten van de Redaksie

Geef een reactie op Scherprechter Reactie annuleren