Ik heb niet iedere week de tijd om De Groene Amsterdammer te lezen, vaak heb ik wel wat beters te doen. Zo werk ik vier dagen in de week voor een middelgrote kartonfabrikant in Groningen, en lig ik in het weekend voor pampus met een wietkater van de vrijmibo met de jongere broertjes van Jimmy Dijk. De maandag waarop ik meestal vrij ben besteed ik soms aan het schrijven van een Reaksie, maar meestal aan de bevrijding van het proletariaat. Nu het einde van het jaar nadert en de vraag naar kartonnen kerststerren afgenomen is, heb ik eindelijk de tijd om wat welverdiende vakantie te nemen.
Daarbij hoort natuurlijk ook het lezen van alarmerende essays over het einde van de wereld in De Groene, Nederlands mooiste weekblad na Elsevier. Xandra Schutte c.s. hebben ons getrakteerd op een dubbeldik winternummer, dat geheel gewijd is aan ‘de terugkeer van God’. ‘Een spannende keuze voor een au fond seculier blad’, schrijft Schutte. Dat vond ik wel meevallen. Ik lees liever in een seculier blad – au fond of niet – over religie dan in het Reformatorisch Dagblad of de Trouw. Ik trof dan ook ongeveer aan wat ik verwachtte: onheilspellende beschouwingen over christennationalisme in Amerika, over KGB-kerkdiensten in het Balticum en over de aartsvijand der intellectuelen, ons aller Satan uit Californië, prof. dr. Chat.
Het nummer gaat echter niet uitsluitend over de grimmige kanten van de opmars van religie, maar ook over god als ‘de zoektocht naar een betekenisvol leven’. Die laatste formulering roept altijd een diepe ergernis bij me op. Wanneer je religie als levensbeschouwing of ‘levensstijl’ behandelt – zoiets als vegetarisme of tweemaal per week naar het zwembad gaan – bied je een wolf schaapskleren aan. Door bepaalde geloven slechts als levensbeschouwing te bestempelen (vaak hebben mensen het dan over religies die ze niet goed kennen, de ayurveda o.i.d.), wek je de indruk dat er zoiets bestaat als ‘veilige’ of ‘onschadelijke’ religies. Dat terwijl het inrichten van je leven naar een hogere macht nooit iets onschuldigs kan zijn. Je geeft namelijk moedwillig de autonomie over bepaalde aspecten van je bestaan op aan iets dat compleet uit de duim gezogen is – ik hoef maar het voorbeeld van een leven gewijd aan kaboutertjes te noemen om u te doen inzien hoe belachelijk dat is.
Nu hebben de meeste auteurs van De Groene Amsterdammer die denkfout consciëntieus weten te vermijden. Met de gepaste journalistieke afstand presenteren ze in het winternummer een rariteitenkabinet van merkwaardige vrijdenkers, sympathieke paganisten en vrijzinnige EO’ers. De uitzondering vormt helaas het interview met filosofe Donna Haraway, die door Eva Hofman uitvoerig aan het woord gelaten wordt over de voordelen van religie. In tegenstelling tot sjamanka Mirjam van Donselaar (die elders in het blad geïnterviewd wordt), zal de gemiddelde lezer van De Groene Haraway niet als gevaarlijke gek, maar als gewaardeerde intellectueel zien. Ze ontving immers niet voor niets afgelopen november de Erasmusprijs, een flinke som geld voor mensen die ‘een buitengewone bijdrage hebben geleverd aan de geesteswetenschappen’. Bovendien treedt interviewer Hofman haar bijzonder meegaand tegemoet, en lijkt een bepaalde bewondering niet te kunnen onderdrukken – zelfs wanneer Haraway welbeschouwd belachelijke dingen zegt. En dan heb ik het niet eens over de dubieuze opvattingen waar ze beroemd mee geworden is, zoals dat we beesten, planten en stenen ‘meer-dan-mensen’ zouden moeten noemen maar verder elke hiërarchie in taal moeten verwerpen. Nee, het kwalijkst vind ik haar pleidooi voor de rehabilitatie van religie onder linkse mensen.
Volgens Haraway heeft links, dat zich van oudsher antireligieus opstelt (het opium van het volk enzo), het kind met het badwater weggegooid. Haar betoog berust op de stellingen dat a) gemeenschap en rituelen belangrijk zijn voor een samenleving, b) dat linkse mensen gemeenschap en rituelen verloochend hebben en c) dat links religie moet omarmen om die schade te herstellen. Dat eerste idee kan ik tot op zekere hoogte in mee gaan. De meeste mensen hebben inderdaad behoefte aan gezelschap, en vormen daarom groepen die dat gezelschap voor enige tijd kunnen garanderen. Binnen een dergelijke gemeenschap kunnen rituelen een gevoel van eendracht produceren, en brengen ze bovendien structuur aan in een ogenschijnlijk zinloos bestaan. In die zin is De Reaksie ook een gemeenschap, hoewel een zeer giftige en kille omgeving.
De suggestie van Haraway dat links het belang van gemeenschap en rituelen onvoldoende onderschrijft en dat daardoor iets verloren gegaan is, stelling b), trek ik daarentegen in twijfel. Haraway stelt dat seculier links ‘de behoeften, de intellectuele verlangens, de gemeenschapsvorming, de bevestiging dat er meer is dan jijzelf, een soort ontzag voor de grootsheid van wat er verder is’ waar religie in voorziet, op de een of andere manier vergeten is. Ze schetst daarmee een beeld dat in alle eerlijkheid sterk doet denken aan de extreemrechtse cultuurvisie dat de moderne mens ontheemd is, en door toenemend isolement moreel vervalt. Dergelijke uitspraken zouden uit een roman van Houellebecq afkomstig kunnen zijn. Net als legio reactionaire denkers (let op, met ct!) komt Haraway tot de conclusie dat ‘wie onze levensomstandigheden [wil verbeteren], in gesprek [zou] moeten gaan met de mensen die intensief hun religie beoefenen.’
Nu komt die oplossing nogal uit de lucht vallen van een denker die in haar verdere werk anti-hiërarchisch iconoclasme predikt. Hofman confronteert Haraway daarom terecht met haar eigen gedachtegoed: is religie ‘niet juist het instituut dat bekendstaat om het bestendigen van (…) hiërarchieën?’. Nou, antwoordt ze, dat geldt niet voor alle religies. Er bestaan volgens haar namelijk goede en slechte religies. Het protestantisme, bijvoorbeeld, is verkeerd, omdat het zo nauw verweven is met het kolonialisme. Bovendien zou onze verstoorde relatie tot de natuur, het hoofdonderwerp van Haraways oeuvre, grotendeels te wijten zijn aan een protestantse moraal. Zo draait het christelijke idee van eenwording met god volgens haar om ‘het ontsnappen aan de moeder’ – en die moeder is de aarde. Haraway noemt die gedachtegang daarom ‘een fallische, misogyne, anti-aarde en racistische fantasie’. Hofman voelde dan weer niet de behoefte om daarover door te vragen, mogelijk uit dankbaarheid voor haar volle buzzwoordbingokaart.
Tegenover die gereformeerde christenhonden (excusez moi, gereformeerde christen-meer-dan-mensen!) plaatst Haraway de zogenoemde ‘spirituele religies’, die ze beschrijft als het ‘ontzag voor het verbluffende feit dat we bestaan’. Ze doelt daarmee niet op een dogmatische interpretatie van geloof, maar op een persoonlijke godservaring waarin waardering voor de natuur een hoofdrol speelt. Misschien moeten we die spiritualiteit begrijpen vanuit haar methode van ‘speculatief fabuleren’, ‘een filosofie die het vertellen van verhalen inzet om een nieuwe realiteit of toekomst voor te stellen en te verwezenlijken’. Een beetje wat De Reaksie ook doet – maar hier zult u niets lezen over pratende bomen of helderziende walvissen. Nu ja, misschien in een stukje van Faber Ferrarius.
Het aanbrengen van een onderscheid tussen een kwaad monotheïsme, en een goed spiritualisme (dat vooral, zoals uit het voorgaande moge blijken, door vaagheid gekenmerkt wordt) is een gebruikelijke zet van religie-apologeten. Zo doet Haraway een beroep op een vermeende natuurlijke behoefte aan spiritualiteit, die de mens zou moeten bevredigen om een volledig leven te leiden. Wat die spiritualiteit precies behelst moet de lezer zelf invullen, maar Haraway lijkt te verwijzen naar animistische of polytheïstische natuurreligies en vrijzinnige interpretaties van de religies van het boek.
Bij mij ontbreekt die behoefte aan spiritualiteit volkomen, hoewel tijdgebrek daar ook een rol in speelt – die kartonfabriek, u weet nog wel. Maar ook Haraways geloof in onschuldige geloofsovertuigingen kan bij mij op weinig instemming rekenen. Haraway verwijst vooral naar zogenaamde niet-Westerse religies als inspiratie, en stelt dat we ‘verkeerd [zitten] als we ons beperken tot de religies die we kennen’. Volgens mij begaat ze daar een klassieke denkfout: natuurlijk lijken religies waar we minder vanaf weten onschuldiger. Het gras is altijd groener aan de andere kant van de Indus, zeg maar. Intolerantie komt ook voor bij polytheïstische en vage Oosterse geloven, denk daarbij aan de Romeinen en Jasper Demollin respectievelijk.
Zelfs als we meegaan in Haraways vertrouwen in ‘onschuldige religies’ blijft stelling c), religie is de oplossing voor ons gebrek aan gemeenschap, dubieus. Haraway zegt concreet ‘het samen zingen met mensen, samen de maaltijd gebruiken, samen voedsel oogsten voor de voedselbank, demonstreren, verenigde acties en steun voor immigranten’ te missen. Het lukte toen ik dat las niet om de vraag te bedwingen waarom we daar religie voor nodig hebben? Als je samen wil zingen, ga je bij een koor. Daar hoef je tegenwoordig helemaal niet meer de ganse tijd Gloria in excelsis deo te zingen, want het machtige repertoire van de Beegees leent zich ook prima voor meerstemmigheid. Dat god nodig is om je een beetje solidair op te stellen vind ik ook een zwartgallig idee, en een bovendien onwenselijke gedachte. Het zou toch mooi zijn om het belangrijk te vinden af en toe iets voor de ander te doen zonder dat je er 72 maagden in het paradijs voor terug hoeft te hebben.
Maar goed, als we ons Haraways cynisme permitteren, klopt het wel dat religieuze instellingen bepaalde middelen hebben om sociale actie te ondernemen – zeker in de Verenigde Staten. Haar pleidooi om juist met het institutionele christendom samen te werken, lijkt echter weer haaks te staan op haar strijd tegen fallische, misogyne, anti-aarde en racistische religies. Daarbij rijst de vraag of samenwerking tussen gelovigen en heidenen op alle terreinen mogelijk is – en dan doel ik vooral naar de intolerantie van de eerste groep. Zo wil De Reaksie al enige tijd dolgraag een samenwerking aangaan met de Rooms Katholieke Kerk om een actie tegen seksueel misbruik op te zetten, en heeft Walter al in het voorjaar de SGP gemaild of ze een pro-choice forum wilden helpen opzetten in Spakenburg. Van beiden hebben we op het moment van schrijven helaas nog geen respons mogen ontvangen.
Ach, eigenlijk ben ik ook te bescheiden voor dit soort metafysische beslommeringen. Misschien begrijp ik religie gewoon niet! In ieder geval zou Haraway mij dat toewerpen, zoals ze in haar interview al doet: ‘Linkse mensen begrijpen religie vreselijk slecht, het gevoel ervan, de beoefening en de geschiedenis. We denken dat ons secularisme gewoonweg superieur is, dat wij de wereld rationeel beschrijven zoals die echt is, en dat gelovige mensen in een soort illusie leven. Dat vind ik arrogant’. Toch zou ik u, beste linkse lezer, met enige zekerheid willen meegeven dat uw secularisme inderdaad superieur is, omdat u de wereld beschrijft zoals die echt is, en niet in de illusie leeft dat er een hogere macht bestaat waarvan u toevallig de naam geleerd hebt. De twijfel die u uw gehele zinloze bestaan meetorst is geen arrogantie, integendeel. Werkelijk arrogant is geloven dat je precies weet hoe het zit met goed en kwaad, hemel en aarde en leven en dood.
Gott vergelt’s!
Scherprechter
De standpunten van Scherprechter zijn niet noodzakelijkerwijs representatief voor die van de Redaksie

In afwachting van uw reaksie verblijven wij