
Nikola Edelsztejn haat bakstenen. Dat is ongeveer de strekking van zijn nogal hatelijk column over de nieuwe bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam die vorige week woensdag in Folia verscheen. Het verbouwde ziekenhuis aan de Vendelstraat zou er uitzien als ‘het resultaat van een brainstormsessie van dronken architecten op teambuildingsreis naar Vlieland’. Hoewel De Reaksie kritiek op de nieuwe UB normaliter toejuicht, schaadt Edelsztein met zijn geestig bedoelde polemiek De Zaak. Hij laat namelijk volkomen na uit te leggen waarom de bibliotheek een architectonische mislukking is.
De jonge schrijver opent zijn betoog met de observatie dat bakstenen gebouwen – zoals ook de UB – ten onrechte buiten schot blijven in architectuurkritiek. Bakstenen zouden ‘neutraliteit’ en ‘vriendelijkheid’ uitstralen, waardoor ze ‘zelden’ grootse esthetische gevoelens van walging of bewondering opwekken. Ze zouden ‘ook in historisch perspectief nooit met schoonheid geassocieerd’ worden. Dat is een interessante gedachte, afgezien van het feit dat het onzin is. De bakstenen Amsterdamse grachtengordel – om maar iets te noemen – trekt jaarlijks meer dan 10 miljoen toeristen naar de hoofdstad. Die komen niet alleen voor de ervaring van middelmatigheid (daarvoor hebben we Utrecht).
Dat bakstenen saai zijn kun je natuurlijk vinden: over smaak valt te twisten. Wel is het vooral leuk om te twisten op basis van argumenten, die in Edelzsteins column dunbezaaid zijn. Zijn enige inhoudelijke kritiek is dat het materiaal ‘weinig verhaal uitstraalt’. Als esthetisch criterium is dat wat vaag. Het is moeilijk te verdedigen dat het ene materiaal meer ‘verhaal’ bevat dan het andere, al is het maar omdat het compleet onduidelijk is wat hij met ‘verhaal’ bedoelt (geschiedenis, of identiteit bijvoorbeeld?).
Om Eedelsztejn goed te begrijpen, mogen we niet de andere kant van zijn esthetische medaille vergeten. Als antithese van bakstenen gebouwen presenteert hij namelijk het brutalisme. Nu is Eedelsztejn absoluut niet de enige UvA-student die dweept met die minimalistische bouwstijl, maar mogelijk wel degene die het verst in zijn fetisj doordraaft. Wat hem betreft had de universiteit het oude Binnengasthuis (nu de UB) met de grond gelijk moeten maken er een ‘leuk betonnen paleis’ voor in de plaats te zetten. Daarop volgt een dubieuze opmerking over de Roemeense dictator Ceausescu die dan – terug uit de dood – een kijkje zou komen nemen naar het fictieve brutalistische bouwwerk – want dat moeten we willen?
Eedelszteins provocatieve opmerking heeft niet alleen iets weg van puberale recalcitrantie, maar verraadt ook dat de auteur maar een zeer basaal begrip van het brutalisme heeft. De door hem zo gehate bakstenen zijn namelijk redelijk veel gebruikt in brutalistische bouwwerken, zij het niet zo regelmatig als beton en cement. De laatsten worden echter niet geprefereerd uit ideologische drift, maar omdat het domweg goedkopere materialen zijn. Een voorbeeld dat Edelszteens favoriete bouwstijl met zijn meest gehate bouwmateriaal combineert is het Barbican Centre in Londen, overigens een van de bekendste brutalistische gebouwen.
Edelzteens afkeer van eclecticisme in gebouwen strookt beter met de brutalistische leer. Hij heeft niets tegen eclectische steden, maar eclecticisme in een gebouw, zoals de UB, stoort hem. Hij geeft daar twee duidelijke redenen voor. Ten eerste zou het ontwerp iets ‘ondoordachts’ hebben (dankzij die dronken architecten, weet u nog?). Ondoordacht lijkt me echter niet iets dat inherent goed of slecht is. Iets kan ondoordacht zijn maar prachtig en iets kan ontzettend doordacht zijn en afzichtelijk. Dat tweede lijkt bovendien eerder het geval geweest te zijn bij de UB, met het dertigjarige circus rond zijn totstandkoming in het achterhoofd. Ten tweede zou het eclecticisme falen in het ‘vestigen van tijdloze esthetiek’. De esthetiek van de bibliotheek zou daarentegen dus tijdelijk van aard zijn, wat impliceert dat de architect gebruikgemaakt heeft van modeverschijnselen – opvattingen over wat mooi zijn die binnen korte tijd achterhaald zijn. Als dat zo is, roept dat de vraag op binnen welke bredere trend het gebouw past. Van de centrale trap, het pièce de résistance van de UB (waarvoor Eedelszteijn de wat manke vergelijking met een zetpil kiest), kunt u van alles vinden, maar kan door ondergetekende niet binnen een hedendaagse architectonische rage plaatsen. Door Eedelzstein wel?
U denkt misschien: waarom gaat die miesmuizer van een scherprechter zo uitgebreid in op zo’n onzinnig stukje? Laat Eedelsztejn toch lekker ongestoord zijn jonge pen in alsem dopen. De reden is simpel. Gebakken lucht is een cumulatief kwaad, dat zich als een vlek door de Nederlandse polemiek verspreidt. Edelsteen noemt de universiteitsbibliotheek lelijk, en zal dat ongetwijfeld ook vinden, maar neemt geen enkele moeite om zijn walging op de lezer te over te brengen. In plaats daarvan slaat hij hem om de oren met uitdagend klinkende uitspraken als ‘de lelijkheid was het primaire doel van het brutalisme’ en ‘er bestaat geen verschil tussen een grachtenpand en een Amsterdamse schoolpand’. Dergelijke uitspraken zijn welbeschouwd net zo onzinnig als ‘architectonische schoonheid manifesteert zich volgens de mystieke wetten van de kabbala’ of iets dergelijks.
Slechts op één plek is Edelszteijn eerlijk over zijn luchtfietserij: dat de centrale trap lelijk is ‘behoeft geen verdere kritiek: dat wijst zichzelf wel’. Ik zou u op vergelijkbare wijze willen aanraden zijn column toch te lezen. De UB is zo’n makkelijk doelwit van kritiek dat het naast schieten van Edelzstejn zulk een legendarische plaatsvervangende schaamte opwekt, dat u die niet wil missen.
De standpunten van Scherprechter zijn niet noodzakelijkerwijs representatief voor die van de Redaksie

In afwachting van uw reaksie verblijven wij