
Universiteitsbibliotheekdirecteur Carlos Reijnen (tweede van links) neemt aarzelend deel aan een ironisch anti-intellectualistische polonaise. Schrijver en absintdilettante Dirk Vis zwaait naar de camera
De goede verstaander had het al wel door. De Reaksie heeft verloren. Wie maalt er nog over die gesloten universiteitsbibliotheek? De UB Vendelstraat heeft inmiddels zoveel lovende recensies ontvangen dat zijn puike glazen koepel er haast onder bezwijkt. Zo liet Jaap Huisman zich in Het Parool nagenoeg lyrisch uit over het gerenoveerde gebouw:
‘Waar vind je zo’n bibliotheek met studiezalen in verschillende groottes, met een torenkamer voor een kleine rendez-vous, met een dakterras rond de koepel? Het is dwalen over het gereconstrueerde en gerepareerde terrazzo, het is uitpuffen op een van de vele rode banken – die ook nog een akoestisch effect hebben. Je zou zomaar zin hebben om weer te gaan studeren.’
Niet alleen de grote led-schermen in de UB, die dag in dag uit licht pornografische dronebeelden van het atrium vertonen, beamen die mooie woorden. De drommen studenten die het voormalige ziekenhuis aan de Vendelstraat frequenteren, en enthousiast gebruik maken van de nieuwe faciliteiten (van de boskamer tot de Wonderbot-automaat), suggereren dat ook de doelgroep de bieb kan waarderen. Zelfs de Reaksie – geven we schoorvoetend toe – slurpt weleens een enigszins naar tandpasta smakend Arabisch koffietje weg in het nieuwe UB-café.
Het contrast met de oude bibliotheek kan niet groter zijn. Zoals Robin van Schijndel tijdens ons panelgesprek in juni al voorspelde, ligt de verlaten ruimte in het P.C. Hoofthuis er ‘unheimisch’ bij. De treurigheid van de lege boekenkasten wordt versterkt door de grote hoeveelheid oude meuk die huisvesting in de lege ruimte opgeslagen heeft. Afgeschreven beeldschermen, stoelen en kantoorartikelen liggen in grove hopen tussen de kasten gestapeld. Papiertjes met de teksten ‘stort’ en ‘afvoer’ verraden hun aanstaande lot.
De afdeling huisvesting van de Faculteit Geesteswetenschappen vertelde De Reaksie dat er tijdelijk niets met de ruimte gedaan mag worden. Vanwege gewijzigde brandveiligheidsvoorschriften is de ruimte bevroren, wat inhoudt dat het in ieder geval niet mag worden ‘ingezet als verblijfsruimte’. Er mogen dus geen ‘stoelen en/of banken’ in geplaatst worden, althans, niet om op te zitten. Het leven, in andere woorden, is elders.
Tenminste, dat zou u denken. De Reaksie werd enige tijd geleden attent gemaakt op een uiterst curieus evenement dat in het P.C. Hoofthuis zou gaan plaatsvinden. Kunstenaarscollectief Ongelezen Boeken Club, dat zichzelf beschrijft als de ondergrondse denktank van de literaire wereld, had Zwarte Lak aangekondigd, een avond die in het teken zou staan van censuur. Het programma bevatte onder andere ‘het ontbrekende afscheidsritueel van de voormalige bibliotheek, waarna universiteitsbibliotheekdirecteur (…) Carlos Reijnen de deuren definitief zou sluiten.’ Nu is De Reaksie niet de meest kleinzerige denktank van de literaire wereld (ook niet de minst kleinzerige hoor), maar het is het op zijn zachtst gezegd dubieus te noemen dat onze begrafenis dunnetjes overgedaan zou worden – en dit keer voor de niet geringe entreeprijs van tien euro. Vanzelfsprekend was De Reaksie dus van de partij.
Het gebeuren vond afgelopen donderdagavond plaats, en begon in de leeuwenkuil – die charmante beerput die in de entreehal van het P.C. Hoofthuis ligt. De trap naar beneden werd bewaakt door twee stemmig geklede studenten boekwetenschap die provisorisch bevestigde zwarte boekjes als hoofddeksel droegen. De gasten waren gevraagd om een ongelezen boek mee te nemen, dat ze konden afgeven aan de poortwachters. De rest van de avond zouden zij die boeken bekladden met zwarte nagellak, om na het evenement gecensureerd aan de eigenaars terug te geven.
Dankzij onze persaccreditatie konden we in één keer doorlopen. In de put werden we overvallen door een feestelijk gewoel, dat nog het meest deed denken aan een Haarlemse D66-ledenavond. Het was een goeiige, gemêleerde menigte, die gemiddeld tussen de veertig en zestig geweest zal zijn. De Reaksie sprak een piloot, een viking en een student werktuigbouwkunde uit Delft, die eigenlijk geen flauw idee hadden waar ze precies beland waren. Een belangrijke afwezigheid vormden de medewerkers en studenten van de voormalige gemeente-universiteit van Amsterdam. Vanuit de universiteitsbibliotheek was alleen directeur Carlos Reijnen aanwezig.
Na een allervriendelijkst openingswoord begeleidde de Ongelezen Boeken Club de groep naar een collegezaal op de eerste verdieping, waar de Carlos Ruiz Zafon-lezing gehouden werd. De eer was aan Ruslandkundige Sjeng Scheijen, die enige bekendheid geniet vanwege een biografie over de Russische avant-gardist Sergeij Diaghilev. Hoewel we in eerste instantie niet gekomen waren om zijn lezing te verslaan, bleek het op alle fronten toch een te mal betoog om onbesproken te laten. Wij hebben het doorstaan en vragen van u nu hetzelfde.
De kerngedachte van de lezing was dat er twee vormen van censuur bestaan. De eerste vorm was censuur in de gebruikelijke zin, die u ook in allerhande woordenboeken tegen kunt komen. Amnesty definieert censuur bijvoorbeeld als ‘het toezicht van een wereldlijke of kerkelijke overheid op uitingen in woord en geschrift die haar onwelgevallig zouden zijn’. Die variant signaleerde Scheijen in Poetins Rusland, en het Amerika van Trump. Maar daar was het hem niet om te doen. Hij noemde het ‘moraliseren van de kwade ander’ oninteressant, waakte voor ‘moralistisch gezwets’, en legde uit dat hij ‘niet zo van lezingen [houdt] die bedoeld lijken om een gedeelde mening te versterken.’ In plaats daarvan wilde hij het publiek wat uit de doeken doen over wat hij als tweede soort censuur onderscheidt, de censuur van de publieke moraal.
In een langdradig, warrig betoog probeerde Scheijen te waarschuwen voor ‘de opmars’ van die censuur in het ogenschijnlijk vrije Nederland. Zo noemde hij de beslissing van uitgeverij De Bezige Bij om een historische roman van Marcel Möring niet te publiceren, ‘omdat daar een fictief personage een verboden woord uitspreekt’. Wat dat kwalijk maakte, was volgens Scheijen niet het feit dat de uitgeverij iets weigerde uit te geven (zo relevant is De Bezige Bij niet volgens Scheijen – hij parafraseerde hier grijnzend Josef Stalin met ‘Hoeveel divisies heeft De Bezige Bij?’). Voor Scheijen was het probleem van de affaire de achterliggende tendens die hij waarnam: de beperking van het vrije woord.
Volgens Scheijen bestaat er in ons land (of hij het trouwens echt over Nederland had, over ‘links’ of over ‘Het Westen’ was volkomen onduidelijk door zijn overmatige gebruik van de passieve vorm) nog maar een ‘fragiel geloof in het vrije woord’. Zoals tegenwoordig gebruikelijk is wanneer mensen zoiets constateren (denk bijvoorbeeld aan de apostel van de per-ongeluk-naar-rechts-bekeerde fractie van het culturele circuit Michiel Lieuwma), haalde Scheijen de covid-pandemie aan om zijn punt te onderschrijven. Zucht.
Scheijen stelde dat tijdens de pandemie ‘15 procent volslagen idioten’ de enige waren die tegengeluid durfden te bieden, en er een sfeer ontstaan zou zijn waarin ‘eigenlijk iedere vorm van discussie moest worden uitgesloten’. Zijn belangrijkste voorbeeld was het initiatief Herstel-NL, dat hij voorstelde als ‘een groep van zeer gerenommeerde economen, waaronder Coen Teulings, oud-directeur van CPB [red. een klassiek drievuldig autoriteitsargument], die zeer milde kritiek leverde op het afgekondigde coronabeleid en een iets andere afweging maakten tussen volksgezondheid enerzijds en maatschappelijke vrijheden anderzijds.’ Het o zo redelijke plan zou als gevolg van ‘een storm van kritiek’ – Scheijens repressieve sociale moraal – gesneuveld zijn.
Dat is natuurlijk klinkklare onzin. De premisse van Herstel-NL was het opheffen van alle beperkingen, en om vier miljoen kwetsbare Nederlanders in vaag omschreven ‘veilige zones’ op te sluiten. Een volledige verwerping van het coronabeleid is toch moeilijk een ‘milde kritiek’ te noemen. Bovendien is de voorstelling dat Herstel-NL geen platform kreeg tendentieus. De groep kreeg juist bijzonder veel aandacht van de media. Teulings schoof aan bij Op1 om over het plan te vertellen, en ook het NOS-journaal besteedde een aantal items aan de club. De ‘storm van kritiek’ die volgde is geen censuur, maar juist het vrije debat dat Scheijen zo verheerlijkt. Scheijen verwart hier het verliezen van een discussie met het niet mogen voeren van een discussie.
Maar goed, laten we even in Scheijens gedachtegang meegaan. In Nederland heerst een repressieve publieke moraal, die nog vóór een discussie goed en wel los kan barsten bepaalt ‘welke argumenten wel en (…) niet gezegd mogen worden’. In de tweede helft van zijn lezing laat de Ruslandkundige concrete voorbeelden achter zich, en vervolgt hij met een onsamenhangend taalfilosofisch verhaal. We hebben het zo goed en zo kwaad mogelijk geprobeerd te parafraseren.
Als eerste rekt Scheijen de definitie van ‘censuur’ nog verder op. Niet alleen de publieke moraal, maar ook de taal zelf zou censureren. Taal is volgens Scheijen in de kern beperkend. Woorden bestaan namelijk om grip te krijgen op een complexe werkelijkheid, en staan dus geen chaos toe. Dat leidt voor hem echter niet tot de conclusie dat taal ook die werkelijkheid construeert. Woorden vertroebelen, censureren misschien ons beeld van de werkelijkheid, maar verwijzen nog altijd naar fenomenen die dobberen ‘in de oceaan van de waarheid’. Concepten als samenleving, cultuur en ras zijn volgens hem dus geen sociale constructen maar complexe, werkelijke begrippen (wat in het laatste geval licht verontrustend is). Het begrip gender (soziales Geschlecht) leek zelfs zo complex te zijn dat Scheijen niet echt (of echt niet) begrijpt wat het betekent:
‘De mensheid had net schoorvoetend toegegeven dat er zoiets bestond als seksualiteit en geprobeerd daar een paar biologische principes aan te verbinden, maar al heel snel bleek dat iedereen maar wat aanklooide, niemand hield zich aan het biologische Programm, het was een enorme puinhoop, de seksuele verschijnselen gingen alle kanten op en die chaos kon niet voortduren. Dus werd er een woord bedacht om als paraplu te dienen voor al dat opgewonden geklooi, al die onvolmatige [red. onvolmaakt? ongematigd?] verspilling van vocht en warmte en dat werd gender.’
Het moeilijke aan die beperkende functie van taal (het structureren van de werkelijkheid) is volgens Scheijen dat die strijdig is met een tweede functie van taal: het uitwisselen van controversiële ideeën. Hoe we ons dat precies moeten voorstellen wijdt hij niet over uit, maar het zou te maken kunnen hebben met het feit dat daadwerkelijk controversiële ideeën niet gedacht kunnen worden vanwege het reductionistische karakter van taal. Wel biedt Scheijen een oplossing, namelijk fictie. Dat definieert hij wederom karakteristiek onduidelijk, namelijk als ‘alles wat mensen zeggen dat verzonnen is voor een publiek dat weet dat het verzonnen is’, maar tevens als ‘de taal van de sociale interactie’ en ‘geile praatjes’. Hoe dan ook kunnen we met fictie dichter bij ‘de oceaan van de waarheid’ komen.
Hoewel het betoog doordrenkt is met tegenstrijdige uitspraken, lijkt Scheijen in het taalkundige gedeelte de draad volledig kwijtgeraakt te zijn. Want hoewel ‘fictie’ ons dichter bij ‘de oceaan van de waarheid’ zou moeten brengen, leert fictie ons volgens hem een paar regels hierna ‘helemaal niks. Of nou ja dat kan wel, maar dat doet er niet toe’. Even later concludeert hij dan weer dat ‘fictie ons leert wat vrijheid is’.
Dat laatste idee, een soort pastiche van Foucault en professor Energy, trekt Scheijen tegen het eind nogal ver door. Illustratief voor het delirium waarin hij tegen die tijd beland was, is het volgende fragment, waarin hij fictie wel heel ruim neemt:
‘Als we vrijen zijn we weer even dat kind met die handdoek op zijn kop [dat fantaseert dat hij een tovenaar is]. Het is niet het echte leven. We spelen dat we iets groters zijn dan onze wereldse verschijning. Misschien is een verkrachting wel zo erg omdat we de verkrachte persoon niet toestaan zijn rare hoedje op te zetten en ander te worden. [cursief DR]’
Hoewel het aanlokkelijk is dergelijk gezwets volslagen onzin te noemen, impliceert onzin een onschuld die de lezing, naar de bescheiden mening van De Reaksie, verkeerd karakteriseert. Scheijens filosofie vormt namelijk, samenhangend of niet, de basis voor zijn uiteindelijke conclusie. Door de publieke moraal, die de productie van fictie op geheimzinnige wijze inperkt, is een ‘zeer repressieve wereld [ontstaan] waar de kinderen niet meer leren zingen’ en ‘waarin bibliotheken ineens ontmoetingsplekken moeten zijn’. In dat laatste konden wij ons, dat begrijpt u wel, redelijk vinden, maar de daarop volgende slotsom sloeg weer alles: ‘Een gecensureerd boek is in ieder geval een boek dat wordt gelezen, namelijk door de censor, maar een wereld waarin het belang van ficties de hele tijd wordt miskend, (…), is een wereld die onderdrukkender is dan een wereld waarin de censors aan de macht zijn. [cursief DR]’
Die uitspraak geeft het gedachtegoed van Scheijen een griezelige bijsmaak. Scheijen concludeert een lezing over een vorm van censuur die hij in Nederland waarneemt, de censuur van de publieke moraal, met de uitspraak dat die censuur ‘onderdrukkender is’ dan de conventionele definitie van censuur. Spreken over die eigenlijke vorm van censuur schuift hij bovendien aan de kant als oninteressant en moraliserend.
Daarmee maakt Scheijen gebruik van een klassiek fellow traveler-motief. Wanneer, bijvoorbeeld, sommige Nederlandse communisten in de Koude Oorlog gevraagd werden naar misstanden in de Sovjet-Unie, verwezen ze graag, om af te leiden van die vraag, naar wat er mis was in Nederland. ‘Ja, ze hebben daar censuur. Maar dat hebben we hier ook!’.
Scheijen overtreft die kunstgreep, door twee variaties aan te brengen. Eerst somt hij de geschiedenis van censuur in Nederland op, aan de hand van een aantal bedenkelijke voorbeelden: censuur in Nederlands-Indië zou erger geweest zijn dan in Tsaristisch Rusland (onwaarschijnlijk), de katholieke gemeenschap in Nederland mocht van zichzelf een aantal boeken niet lezen (niet hetzelfde als staatscensuur) en voor de Tweede Wereldoorlog verschenen er volgens hem nauwelijks boeken waarin openlijk over homoseksualiteit geschreven werd, hoewel dat wel toegestaan was (niet waar, en niet hetzelfde als censuur). Vervolgens breidt hij de definitie van censuur zo ver uit dat allerlei democratische verschijnselen, zoals vrij debat, om maar iets te noemen, er ook onder komen te vallen.
Het gevaarlijke daarvan, is dat Scheijen zo daadwerkelijke censuur bagatelliseert. Is onze publieke moraal werkelijk onderdrukkender dan de censuur in Rusland, waar je naar de gevangenis gestuurd kunt worden door te protesteren met een leeg bord? Waar journalisten vermoord worden om wat ze schrijven? Zou Anna Politkovskaya ook gevonden hebben dat de Westerse politieke moraal ‘onderdrukkender’ is dan de censoren van het Kremlin?
Omdat De Reaksie een groothartige ondergrondse literaire denktank is, zouden we Sjeng Scheijen graag het voordeel van de twijfel geven. Misschien zijn die vreemde opmerkingen wel eigen aan de groezeligheid van filosofische betogen, misschien was het allemaal ironie, nuance, durven te denken! Scheijens uitleg van de oorlog in Oekraïne als een discussie over ‘verschillende interpretaties van etniciteit en cultuur’ maakt het echter moeilijker dat vol te houden. Die voorstelling van de oorzaken van de oorlog komt (vast onbedoeld?) regelrecht uit de propagandabuis van Vladimir Poetin, die zijn eigen Realpolitik verfraait met de rechtvaardiging dat hij Russische minderheden in Oekraïne probeert te beschermen.
Eerdere uitspraken die Scheijen over Rusland deed, breken dat voordeel van de twijfel nog verder af. Zo schoof de goede man negen jaar geleden aan bij Thierry Baudet in Café Weltschmerz (als onderdeel van een reeks interviews in aanloop naar het toenmalige Oekraïne-referendum). Hij repte toen van ‘een agenda waarbij westerse waarden, democratie en alles wat daarbij hoort, op een heel agressieve manier moeten worden uitgedragen.’ Hoewel hij zich in het gesprek meermaals distantieerde van Poetin, presenteerde hij zichzelf duidelijk als aanhanger van een relativistische school die democratische waarden niet per se boven Russische oligarchische waarden plaatst. Twee maanden na de invasie van Oekraïne predikte Scheijen in complot-cast De Nieuwe Wereld het belang van verbroedering met de Russen, die we niet als eeuwige vijand mochten gaan zien. Daar heeft hij een punt, maar de timing was ronduit pijnlijk. Op dezelfde dag waarop het interview op het internet verscheen, werd de wereld namelijk bekend met de verschrikkingen die de Russen in Boetsja aangericht hadden.
Het oordeel is aan u. Echt bösartig willen we Sjeng Scheijen niet noemen. Hij moet alles wat hij in zijn lezing zegt mogen vinden en verkondigen, maar zijn cultuurrelativistische geflirt met Russische propaganda en de verkondiging dat onze publieke moraal verstikkend is, creëerde een vrij absurde sfeer in de – naar alle waarschijnlijkheid – overwegend progressieve zaal. Hij bracht zijn betoog als ware hij een geleerde halfbroer van Patrick Nederkoorn, en kon rekenen op een duf schunnig gelach wanneer hij woorden als ‘neuken’ liet vallen. Het zou best kunnen dat de verontrustende stukjes van het lezer het gros van het publiek geheel ontgaan zijn, aangezien ze zorgvuldig verborgen lagen onder dik vernis van onbegrijpelijkheid en flauwe grappen.

Sjeng Scheijen bij Thierry Baudet
Carlos Reijnen, de directeur van de universiteitsbibliotheek, had een coherenter verhaal voorbereid. Vanachter de leeggeruimde balie van de P.C. Hoofthuisbibliotheek vertelde hij een nogal luchtig over de geschiedenis van censuur in de UB. Enigszins trots verklaarde hij dat de bibliotheek nog nooit een boek op politieke basis geweigerd had: ‘We hebben in het verleden ook alles wat je zou willen kunnen censureren, Mein Kampf, Stalinistische literatuur, allemaal naar binnen gebracht. (…) Zonder enige uitzondering’. Als klein weetfeitje voegde hij daar jolig aan toe: ‘Er is één kleine uitzondering, heel recent, het studentenblaadje Propria Cures. Dat blaadje is in een heftig conflict geraakt met de bibliotheek zelf. (…) Dat heeft tot het besluit geleid om het blaadje uit de bibliotheek te verwijderen. Dat kan dus niet meer neergelegd worden bij de ingang.’ Maar, stelde Carlos ons gerust, Propria Cures kan nog altijd geleend worden bij de universiteitsbibliotheek, dus grotemensencensuur is het niet (dat is overigens niet waar: het tijdschrift maakt deel uit van de bijzondere collecties van de universiteit, maar is niet te leen in de gewone UB).
De directeur was niet alleen uitgenodigd om grappen te maken over censuur, maar ook om de deuren van de bibliotheek ‘definitief te sluiten’. Hij beschreef de verlaten bibliotheek als ‘ontzield’. De ruimte was ‘een monument voor de nieuwe tijd, de bibliotheek zoals we die kennen in het heden, met steeds minder boeken erin’. Het was zoals altijd onduidelijk of Carlos – ‘ik ben bibliothecaris, zo heet dat als je directeur van de universiteitsbibliotheek bent – Reijnen dat een positieve of negatieve ontwikkeling vond. Tegen Folia verklaarde hij onlangs nog dat ‘nieuwe bibliotheken minder om boeken draaien’. Nu zag hij de lege bibliotheek echter ook als een symbool van ‘hoe het staat met de wetenschap’. Zo bleef het mysterie wat Reijnen nou precies van boeken vindt (is hij een boekenwurm of bibliocidaal?) onopgelost. ‘Voor nu heet ik jullie van harte welkom in dit monument van de bibliotheek’, besloot hij zijn toespraak.
Het korte, wat droge praatje van de directeur en de misselijkmakende lezing van Sjeng Scheijen werden in absurditeit overtroffen door wat toen volgde. Acteur Vincent Rietveld, getooid met een blonde pruik, schreeuwde in een inconsistent Brabants accent door een megafoon dat de groep hem de bibliotheek in moest volgen. Daar zouden we met zijn allen de ruimte eens en voor altijd ‘ontheiligen’. Het typetje moest een PVV’er voorstellen (Rietveld leek nog het meest op Vicky Maeijer), een cultuurarme proleet die het verdwijnen van boeken wilde vieren. Die viering kwam erop neer dat de studenten boekwetenschap hoedjes van krantenpapier, Chinese toeters en panty’s die met krantenknipsels gevuld waren aan de deelnemers uitdeelden, terwijl de helse sketch van Rietveld luidruchtig voortduurde. De panty’s moesten in emmers met water gedoopt worden, om vervolgens met de vieze natte lappen het meubilair van het PCH te geselen. Vervolgens zette Rietveld een polonaise in, waarbij de deelnemers onder luid getoeter door de verlaten bibliotheek trokken. Zo zouden ze de geest van het intellectualisme uitdrijven. Het resulteerde in een nogal hallucinant tafereel, waarbij de directeur van de universiteitsbibliotheek samen met een stuk of vijftig vijftigers die niets met de voormalige gemeente-universiteit van Amsterdam te maken hadden de geliefde ruimte aquatisch vandaliseerden.

Vincent Rietveld in de rol van Brabantse proleet
Het hele circus was natuurlijk ironisch bedoeld, ‘tja, het zijn kunstenaars’, zei één van de deelnemers, maar het was niettemin een belediging voor iedere student die ooit van de bieb gebruik gemaakt heeft. Om te beginnen richtte het toneelstukje materiële schade aan. Toen we de bibliotheek weer verlieten, was het PCH-blauwe tapijt doorweekt, wat een verdere stap in de verpaupering van een alleszins prima gebouw betekende. Daarnaast is een parodie op anti-intellectualisme minder grappig op een plek die symbool staat voor de zege van datzelfde kwaad. De universiteitsbibliotheek vertoont daadwerkelijk in toenemende mate minachting voor boeken. Rietvelds benadering was in zekere zin het omgekeerde van die van Scheijen. In plaats van zijn publiek met een ongemakkelijke waarheid te confronteren, althans een poging daartoe doen, speelde de acteur met zijn domme PVV’er uit de provincie de algemeen geaccepteerde vijand van het gemiddelde VPRO-publiek. Dat de PVV of extreemrechts niet de schuld droeg voor de vernietiging van de P.C. Hoofthuisbibliotheek, maar een prestigeproject van de universiteit, zal Rietveld ontgaan zijn.
Tegen de tijd dat punkband Voos een lied over, u raadt het al, censuur inzette, dat vooral door gitaargeweld omlijst spoken word bleek te zijn (‘30.000 websites geblokkeerd in Saudie Arabië. 10.000 websites geblokkeerd in Hongarije’), hadden we het wel gehad met de Ongelezen Boeken Club. Afgepeigerd en met lichte Kriegsneurose stonden we wat na te praten voor de poort van het PCH, toen schrijver Dirk Vis bij ons kwam staan. Vis had ook een programmaonderdeel verzorgd als vertegenwoordiger van absintbrouwerij Rue du Dindon (strikt genomen maken ze een soort veredelde alsemlikeur). Speciaal voor de avond had hij een zwarte absint gemaakt, die hij vergezeld door een zieltogend gedicht gepresenteerd had (‘Parelmoeren aura/In wittere mist/Jouw engeldeel/Voor god gemorst/Planten zien zonder ogen/Je wilt ook nodig zijn’). Performatief haalde hij een grote fles absint uit zijn tas, nam een gulzige slok, en stopte hem donders snel weer terug. ‘Normaal vind ik dit soort dingen cringe, maar ik heb het gevoel dat ik vandaag echt iets bijzonders meegemaakt heb. Een soort Dada-avond’.
Misschien had De Reaksie gewoon niet genoeg gedronken.

Geef een reactie op Scherprechter Reactie annuleren