Verzoek gehonoreerd.
‘Geachte heer Rettich,
Ik zou het op prijs stellen wanneer u in het artikel kunt vermelden dat ik met kracht afstand neem van de suggestie dat ik zou hebben opgeroepen om “volop samen te werken met defensie”, en te verwijzen naar de tekst van mijn toespraak. Dan kunnen uw lezers zien dat mijn boodschap anders is. Met de middelen die geïnvesteerd worden in defensie kan en zal in de toekomst onder meer onderzoek en innovatie worden bekostigd. Ik heb mijn faculteit aangespoord om in die context mee te denken over een bredere propositie vanuit de samenwerkende universiteiten, met als doel de agenda van ons onderzoek zélf te kunnen blijven bepalen.
Met vriendelijke groet,
Thomas Vaessens’
Verzoek afgewezen.
‘Beste mensen van de redactie [sic],
Wij vinden het niet nodig om op jullie platform te reageren op het stuk van Max. Wij geloven dat het wel meevalt hoe opiniërend zijn stuk is. Max beweert namelijk enkel dat 1) Lucebert een zeer problematisch verleden heeft, 2) dat hij daar persoonlijk moeite mee heeft en om die reden zich liever niet associeert met hem of vergelijkbare figuren, en 3) dat desondanks hem ook wel eens een Lucebert-citaat ontglipt. Hij schrijft immers ‘Als je een citaat van een foute schrijver blijft gebruiken, willens en wetens, zonder te ontkennen dat iemand een nazi was, dan is het werk kennelijk van zodanige waarde dat de kunst de kunstenaar overstijgt. Pas als je iemands daden erkent, kun je oordelen wat zijn werk echt waard is. En alles van waarde overleeft het wel.’
Wij onderkennen Luceberts daden, wat Max beschrijft is ons niet vreemd, maar het is inderdaad de kracht van het werk en vooral van het gedicht ‘ik draai een kleine revolutie af’ waardoor wij toch gehecht zijn aan de naam. Toen we dat publiekelijk uitlegden op de bewuste avond tijdens het gesprek direct na Max’ voordracht, reageerde hij: ‘Dan zijn jullie het dus met me eens.’
Waar wij wel moeite mee hebben is dat we in de inleiding van de online publicatie omschreven worden als een ‘Lucebert-fanclub’, en wij willen dan ook met klem verzoeken om dat te veranderen naar ‘literair open-podium’, want dat is wat we zijn. De grap wordt door ons inderdaad wel eens gemaakt dat we een fanclub zijn, maar ieder die onze avonden bezoekt, moet direct kunnen inzien dat het een grap is. Of het een gepaste grap is, daar mag ieder het zijne van vinden. Het enige waar het bij onze avonden om draait is het lezen, beluisteren en bekritiseren van het werk van de aanwezigen, zoals we dat ook met het stuk van Max hebben gedaan.’
