Reaksie #029

Gruban Malić heeft nooit bestaan.

En toch werd hij, al was het maar even, werkelijkheid.


In de roman Heroj na magarcu (1967) van Miodrag Bulatović wordt hij als een tragikomische antiheld geschapen: iemand die scherpzinnig is wanneer dat hem voordeel oplevert, maar net zo snel laf wordt zodra het veiliger is om zich klein te maken. Bulatović schildert hem als een opportunist in de functie van barman gedurende de Italiaanse bezetting in Montenegro (1941-1944) die zich door chaos en geweld heen laveert, nooit heldhaftig genoeg om bewondering te verdienen, maar ook nooit volledig onzichtbaar.


Bijna dertig jaar later, midden in de nasleep van de Bosnische oorlog, kreeg dit fictieve figuur een onverwacht tweede leven. In 1995 zat een Servische journalist na een lange avond drinken tegenover een Amerikaanse collega. In een rokerige bar (vergelijkbaar: een zetel naast Theo Hiddema bij Café de Zwart na elven), ergens tussen bravoure en bitter cynisme, begon hij verhalen te vertellen over de verschrikkingen die zich hadden afgespeeld rondom kamp Omarska [een berucht Bosnisch-Servisch concentratiekamp, red.]. Namen van daders circuleerden, anekdotes werden groter naarmate de glazen leger raakten. Op een gegeven moment liet de journalist een naam vallen: Gruban Malić. Volgens hem een van de gruwelijkste oorlogsmisdadigers van de Joegoslavische Burgeroorlog.

De naam bleef hangen.


Drie jaar later gebeurde er iets merkwaardigs. In 1998 dook Gruban Malić plotseling op in officiële documenten van het International Criminal Tribunal for the former Yugoslavia in The Hague. Daar stond hij, tussen lijsten van vermeende daders en kampbewakers, een naam die ooit door een schrijver was bedacht, daarna door een dronken journalist was uitgesproken, en nu een plaats had gekregen in een juridisch archief.


Een romanfiguur had, al was het per ongeluk, historisch gewicht gekregen.


Nederland kent zijn eigen Malics en narratieve efficiëntie, filmhelden die morele ambiguïteit verbergen onder heroïsche laagjes. Feitelijk kozen de meeste Nederlanders tijdens de Tweede Wereldoorlog voor afzijdigheid, opportunisme of meeliften. Toch domineren kaskrakers zoals ‘Soldaat van Oranje’ (1977), ‘Zwartboek’ (2006) en ‘Oorlogswinter’ (2007) ons collectieve geheugen. Collaboratie en passiviteit verdwijnen doorgaans buiten beeld, net als figuranten zonder tekst. Het publiek wil zich identificeren, gerustgesteld worden, moreel helder en emotioneel bevredigend, geschikt voor herhaling op 4 mei.

Bulatovic’ Malic laat juist zien dat menselijke keuzes zelden zo netjes zijn. Dat opportunisme niet altijd laf is, maar soms simpelweg overleven heet. En dat absurditeit, vaak weggezet als een bijproduct van chaos, een diepere waarheid blootlegt over menselijk gedrag wanneer systemen ontsporen. We raken de fictieve helden even aan, mits ze aan het eind alsnog ethisch in het gelid staan.

Het verschil is dat Malic uiteindelijk verdween van de lijst van vermeende oorlogsmisdadigers, terwijl onze verzetsfilms & helden blijven bestaan, opnieuw worden uitgebracht, herhaald, opgepoetst en geciteerd. Ze zijn institutioneel erkend en cultureel verankerd. Fictie krijgt zo een status die vaak sterker is dan de historische werkelijkheid. Zoals de Amerikaanse journalist Malic geloofde, geloven wij onze films. We nemen ze serieus. Ze vormen een nationaal geheugen dat net zo fictief als functioneel is. Gaandeweg werd dat ongemak gemoraliseerd door wat men klapgetuigen zou kunnen noemen. Generaties die de oorlog niet meemaakten, maar haar wel strak wilden kaderen. In Nederland raakte het verleden steeds meer opgeslokt door de behoefte aan zelfvergeving en het cultiveren van nationale trots. De minder comfortabele waarheid verdwijnt naar de schaduw. Wat niet wordt verteld, blijft waar, maar onbesproken.

Opmerkelijk genoeg durfde juist een deel van de naoorlogse kunstenaarsgeneratie dit ongemak te tonen, voordat het netjes werd dichtgeplakt. Schrijvers als W.F. Hermans in ‘De tranen der acacia’s’, Hella S. Haasse in ‘Oeroeg’ en Bert Schierbeek binnen de Cobra-context ontmantelden het idee van collectieve onschuld. In de film experimenteerden makers als Pim de la Parra, Wim Verstappen, Ditvoorst en later Frans Weisz met personages die vooral falen, twijfelen of meelopen. 

De recente onthullingen uit het Nederlands oorlogsarchief dwingen ons, tegen wil en dank, tot reflectie, herinneren aan de complexiteit van het verleden: de mensen die onderduikers hielpen, maar tegelijkertijd profiteerden van collaboratie; de burgemeesters, politieagenten en gewone burgers die moreel dubieuze keuzes maakten, toch blijft de paradox bestaan. We verlangen naar duidelijke verhalen, terwijl de werkelijkheid een wirwar was van tegenstrijdige keuzes waarin zowel helden als verraders zich probleemloos konden verschuilen. De uitdaging voor de Nederlandse filmindustrie is helder. Durf de dubbelzinnigheid niet alleen te tonen, maar ook te verdragen.

In De Propagandist (2025, Luuk Bouwman) zien we een zeldzame uitzondering. De documentaire richt zich op Jan Teunissen, een tegenwoordig vrijwel vergeten figuur uit de Nederlandse filmgeschiedenis, die tijdens de bezetting uitgroeide tot een centrale spil in de nationaalsocialistische filmpropaganda. Teunissen zag film als hét massamedium van de toekomst en kroonde zichzelf graag tot Nederlandse filmtsaar.

Die ambitie begon al vóór de oorlog. Als gefortuneerde nazaat droomde hij van roem met de eerste Nederlandse geluidsfilm Willem van Oranje (1934), een historisch prestigeproject dat de jonge filmindustrie op de kaart moest zetten. Het werd een pijnlijke flop. Tijdens de bezetting diende zich echter een nieuw carrièrepad aan. Teunissen, met de opportunistische flair van een ambitieuze VU psychologie student in zijn eerste lobbyborrel, sloot zich aan bij de NSB en werkte zich op tot filmchef, met invloed op wat er wel en niet op het Nederlandse doek verscheen. Wat hem intrigerend maakt, is dat hij geen karikatuur is. In archiefbeelden oogt hij charmant en welbespraakt, iemand die met een paar droge grappen een kamer voor zich wint. Zelfs archiefonderzoeker R. Schuurman lijkt in de documentaire soms heel even door hem te worden ingepakt. Juist dat maakt hem ongemakkelijk herkenbaar: niet een monster, maar een opportunist met talent.

Waarom heeft de hitsige Nederlandse oorlogsfilm industrie zich niet allang massaal op dit soort figuren gestort? Omdat twijfel slecht verkoopt. Opportunisme laat zich lastig marketen.

Hannie Schaft is overzichtelijker.

Gun het Nederlandse volk daarom eindelijk een antagonist die niet corrigeert, maar ontregelt. Een figuur zonder catharsis, zonder boetescene. Iemand die niet leert, niet biecht en niet alsnog “aan de goede kant van de geschiedenis” belandt. Liefst gespeeld door een heilig verklaarde B-acteur, iemand die ooit een supermarktketen commercial droeg en sindsdien als deugdzaam geldt.

Of maak een biopic over een Volkskrant-columnist die zijn hedendaagse gewetensangst ontleent aan de voormalig verzwegen activiteiten van illustere voorouders. Verklaart bijvoorbeeld het achteloos afsnauwen van servicepersoneel. 

Anton Mussert wordt gespeeld door Jeroen van Koningsbrugge, dat scheelt weer morele duiding.



In afwachting van uw reaksie verblijven wij