
Gastreaksionair Max Hell hield de volgende lezing tijdens een bijeenkomst van Lucebert-fanclub ‘De kleine revolutie’ op 30 november 2025 in Theater Torpedo te Amsterdam
In alle eerlijkheid is wat ik u wil vertellen nagenoeg volledig irrelevant, aangezien het om een zeer marginaal verschijnsel gaat. Het betreft namelijk de verheerlijking van een generatie schrijvers die de Vijftigers heet. Er zijn maar een aantal schuldigen: literatoren van de oude stempel, de samenstellers van syllabi Nederlands voor de middelbare school, en dit genootschap van romantische twintigers. Mijn bezwaar tegen hun omgang met de Vijftigers komt voort uit mijn bedenkingen bij de vergoelijking van nationaalsocialisten.
Laat ik bij het begin beginnen. Toen Roosmarijn Pel, mijn lerares Nederlands op de middelbare school, aan de klas vroeg wat we van de vijftigers vonden, dacht ik dat we weer één of andere column uit het NRC over de generatie van mijn ouders begrijpend moesten lezen. Dus antwoordde ik: ‘Ik vind het zure mensen, die de smakelijke naam ‘patatgeneratie’ niet verdienen. Maar dat zou ook gewoon bij hun leeftijd kunnen horen’. Mevrouw Pel, we zeiden nooit mevrouw, verwarde mijn onwetendheid voor recalcitrantie, een misverstand waar ik vaker onder te lijden heb.
Ze wilde het natuurlijk eigenlijk over die beroemde, experimentele schrijvers van de jaren vijftig hebben. Ik weet nu wel ongeveer wie dat waren en wat ze deden. De schoonheid zou haar gezicht gebrand hebben, aan die wereldbrand van 1940-1945. Daarmee bedoelden de opstandelingen dat ze zich niet langer aan traditionele regels van de poëzie wilden houden. Alles moest lelijker, ‘hoon deze nog veel te mooie poëzieschool’, weg met de smaak! Rijm en metrum flikkerden ze dus bij het grofvuil om plaats te maken voor een intuïtief soort gedicht, vooral ingegeven door gevoel met hoofdletter G. Grammatica kon ze ook weinig schelen.
Als ik nu weer in de vierde klas zat, zou ik geantwoord hebben: ‘Ik vind Remco Campert verschrikkuluk, zijn vrienden puberaal, en overigens ook nog eens een stelletje nazi’s’.
Provoceren moet je leren, maar die reductio ad Hitlerum komt niet uit de lucht vallen. Eigenlijk is het ook niet mijn ad Hitlerum. Schrijver Bertus Aafjes, bekend van zijn reisverhalen, was de eerste die de Vijftigers van fascisme betichtte. In 1953 verscheen van zijn hand de volgende passage in Elsevier Weekblad:
‘Lees ik Lucebert’s poëzie, dan heb ik het gevoel dat de S.S. de poëzie is binnen gemarcheerd. Een totalitair stelsel van rauwe gevoelens en instincten, met de laarzen aan van een verschrikkelijke uniformiteit, uit zich als het dwangmatig Sieg Heil van woorden als: oe, a, oer, ei, urinoir’
Het conservatieve Elsevier publiek moet in zijn knuistje gelachen hebben: eindelijk nam iemand die losbandige experimentelen te grazen! De herinnering aan de Bezetting was nog jong, en iemands poëzie nazistisch noemen was niet niets. Al helemaal niet voor Aafjes, die vanaf 1941 de onderduik in moest vanwege het schrijven van verzetspoëzie.
Onbedoeld had Aafjes met zijn kritiek echter de vinger op de zere plek gelegd. Waar de aanleiding van zijn onderduik een gedicht was waarin hij de Arbeitseinsatz aanviel, had Lucebert zich juist vrijwillig gemeld om in Duitsland aan het werk te gaan. De beroemdste Vijftiger schijnt daar zelfs een ontzettend goede tijd gehad te hebben. In het Duitse Wittenberg kon hij als negentienjarige heerlijk wandelen langs de Elbe, genietend van dat Blut-und-boden-gefühl dat alleen het Derde Rijk hem bieden kon. Hij nam er de naam Lübert aan (met umlaut en al) en doopte Duitsland tot zijn Wahlheimat. En die Hollanders, die niet als vrijwilliger maar als slaaf in Wittenberg te werk gesteld waren, die moesten niet zeuren, schreef Lübert aan zijn fascistische liefje Tiny Koppijn.
Lübert schreef wel meer dingen aan die Koppijn, kwalijke dingen. In 2018 onthulde Koppijns kleindochter hun correspondentie aan Wim Hazeu, de biograaf van Lübert. De media smulde van het bruinzwarte buffet dat in de brieven geserveerd werd. De volgende zin is door bijna alle kwaliteits- en roddelkranten geciteerd:
‘De Joodse sjacherige zwetsaard heeft ons Nederduitsers erg, erg besmet, in plaats van rustig kalm, langs stille grachten wandelende en in middags onbeschenen kamers peinzende stam, zijn we een klap en kletsvolkje, een grote troep machtjoden geworden’
Uit Hazeu’s biografie blijkt dat het citaat echter maar het topje van de ijsberg is. Zo maakte Lübert grappen over de razzia van Putten. Het deporteren van 659 Puttense mannen noemde hij ‘Putte-pijn’, een woordgrap naar ‘in de put zitten’. Daarnaast drukte hij meermaals de hoop uit dat eugenetische maatregelen het Nederlandse volk zouden zuiveren, beschreef hij de aanstaande val van het Derde Rijk als ‘treurig om te zien’, en sloot zijn brieven altijd netjes af met Sieg heil of heil Hitler. Een ander saillant detail is dat Lübert zijn vader, die huisschilder was, hielp met de diabolische klus om Joodse straatnamen over te schilderen met nazi-propaganda.
Die Aafjes had dus wel een punt toen hij Lüberts poëzie verdacht maakte. Ondanks zijn feilloze intuïtie, is zijn aanval hem duur komen te staan. Zijn hatelijke stukje in Elsevier kon niet opboksen tegen de furore die de excentrieke vijftigers maakten. Aafjes kwam er door bekend te staan als een conservatieve, achterhaalde dichter, ingehaald door de tijd. Toen hij in de jaren tachtig zijn excuses aanbood aan Lübert, had de ontvanger het gore lef om hem nog eens neerbuigend van een ‘ondichterlijke faux pas’ te betichten. Bertus Aafjes werd ten onrechte bestraft met vonnis der irrelevantie.
Tegen die achtergrond was de openbaring van Lüberts bruine verleden zeven jaar geleden moeilijk te pruimen voor de trouwe schare fans die de inmiddels overleden dichter nog bleek te hebben. Daar kwam nog bij dat hij niet de enige Vijftiger was met een dubieus oorlogsverleden. Hans Andreus, wiens Meester Pompelmoes ik als kind weleens las, was nog aanzienlijk rabiaat nazistischer dan Lübert. Hij vocht namelijk vrijwillig mee met de SS aan het Oostfront, in de hoop het tij weer te keren in de rassenoorlog tegen de Slavische untermensch na het verlies van Stalingrad. Het was hem bijna gelukt om Lübert zover te krijgen mee te gaan, maar het doodschieten van Russen was kennelijk toch een brug te ver voor de gevoelige dichter. Dan liever die gezellige Arbeitseinsatz aan de Elbe.
Evenmin is het oorlogsverleden van Hugo Claus fraai, hoewel die daar ten minste eerlijk over was. In Het verdriet van België speelde Claus open kaart over de collaboratie van zijn familie, en in sleutelroman Een zachte vernieling gooit hij Lübert en Andreus flink voor de bus, door de affaire van hun ambities aan het oostfront uit de doeken te doen.
De feiten, dat wat we nu weten, liegen er dus niet om. U kunt alles wat ik u vertel trouwens teruglezen in het werk van Wim Hazeu en Graa Boomsma. Daarin komt u ook de merkwaardige reflex van de biografen tegen om de walgelijkheid van de oorlogsperikelen van de Vijftigers, in het bijzonder Lübert, af te zwakken. Zo zetten ze allebei de kunstgreep in om Lübert te infantiliseren: het was nog maar zo’n jonge jongen, een naïeveling die niet wist wat hij schreef. Als fijngevoelige kunstenaar dwarrelde hij van idee naar idee. Boomsma heeft het over ‘de hoogmoedige woorden van een piepjonge romanticus’, en Hazeu vergelijkt hem en Andreus met Nescio’s Titaantjes. Ze hadden niet zo door wat er in de wereld om hen heen gebeurde: de uitsluiting en deportatie van de Nederlandse joden ging ‘aan de pubers voorbij’, aldus Hazeu.
Die voorstelling kan ik tot op zekere hoogte in meegaan, maar alleen door te veronderstellen dat Lübert en zijn vrienden dan oliedom geweest moeten zijn. Want van een 19-jarige met een IQ boven de 80 kun je best verwachten dat hij een afweging kan maken tussen goed en kwaad. Ik moest er op die leeftijd niet aan denken om op JFVD-zomerkamp te gaan, wat bij gebrek aan beter dan maar als het hedendaagse equivalent van vrijwillige Arbeitseinsatz moet functioneren. Bovendien schetsen Boomsma en Hazeu Lübert juist af als een erg pientere, ja haast briljante geest. Van iemand die op jonge leeftijd het werk van Nietzsche kon doorgronden, kun je best verwachten dat hij dondersgoed wist wat een zin als ‘wanneer alle Germaansche stammen verenigd zijn zal de Jood geen gelegenheid meer hebben bloed tegen gelijk bloed op te zetten’ betekende.
Hier en daar verdedigen Boomsma en Hazeu Lübert zelfs met tegenstrijdige argumenten. Zo kiest Hazeu voor de truc om het nazisme van Lübert te contextualiseren. Er waren heel veel mensen die in 40-45 verleid werden door Duitse propaganda, en bijna niemand zat in het verzet. En, en, ook W.F. Hermans had zich bijna voor de Einsatz gemeld! De beslissing van Lübert was in die voorstelling dus eigenlijk een vrij normale reactie op het leven onder Duitse bezetting.
Boomsma probeert Lübert juist te verbijzonderen. Het is niet zijn gemiddeldheid, maar juist zijn rijke gevoelsleven dat zijn nazisme doet verschillen van plat, ‘echt’ nazisme. Echte nazi’s kunnen natuurlijk geen dichters zijn, zo lijkt de biograaf te suggeren, dat zijn van die amuzische types als Göring (wiens vrouw Lübert overigens ‘edel’ noemde). Volgens Boomsma wilde Lübert domweg zijn meisje Koppijn ‘paaien met prikkelend en abject proza’, en gebruikte hij opzettelijk een hyperbolisch nazisme dat eerder als dichterlijk experiment gezien moet worden dat een uitspatting van ideologie.
Was Lüberts gedrag tijdens de oorlog nou heel gewoon, of juist bijzonder? De argumenten spreken elkaar tegen, maar zijn allebei onzin. Het maakt namelijk niet uit hoe uitzonderlijk het gedrag van Lübert was, zijn brieven bevatten nazistische proza. En nazistische proza is fout.
Waarom proberen Boosma en Hazeu, vermoedelijk toch best intelligente en in ieder geval belezen mensen, zo krampachtig Lübert van zijn eigen woorden te redden? Er zijn schrijvers die we om minder niet meer lezen. Een mogelijke verklaring is dat ze het werk van Lübert – en dus ook Claus en Andreus – nou eenmaal van zulke kwaliteit vinden dat we het niet mogen afstoten. Ik herinner mij het boek Mimosa van Mette Maria van Dijk, dat ophef veroorzaakte omdat de hoofdpersoon in de Bijlmer gaat wonen ‘om haar zwarte buurmannen te neuken’. Qua niveau had dat boek zo in een boeketreeks gepast. Ja, die boeken kun je wel verbranden. Maar de keizer van de Vijftigers kunnen we toch niet zomaar tegen de muur zetten?
Toch vraag ik me af of het echt zo erg zou zijn om zelfs goede kunst te verbannen naar de vergetelheid vanwege een kunstenaar die verkeerde dingen gezegd of gedaan heeft. Of in courantere taal: om iemand te cancelen [red. absagen]. Het voordeel van de onvermoeibare productie van de mens, is dat er heel, heel erg veel boeken zijn om uit te kiezen. Er zijn tig schrijvers met een onbevlekt blazoen – althans, niet zo spik en span dat je ze niet moet vertrouwen, maar u begrijpt wel wat ik bedoel. Gerard Reve hoefde niet te dwepen met Céline, een vuige antisemiet, en Theodor Holman hoeft op zijn beurt niet te dwepen met Reve, eigenlijk ook gewoon een racist, maar dan met poep-en-plas-humor. Het koste wat kost verdedigen van een gevallen held is niet alleen triest en verdacht, maar ook onnodig.
Om dat te illustreren zal ik een lichtend voorbeeld aanhalen: mijzelf. Een tijd lang was mijn lievelingslied ‘what’s in it for’ van de Amerikaanse band Avi Buffalo. Op een dag kwam ik erachter dat de zanger, een raar klein ventje met een hoge piepstem, de pianist van de groep verkracht had. Dat gaf de altijd al wat scabreuze zin ‘your lips are like little pieces of bacon’ toch een wat vieze bijsmaak. Dus besloot ik er niet meer naar te luisteren. Dat was helemaal niet moeilijk, want er is veel te veel muziek dus je vindt altijd wel iets beters. Hetzelfde geldt voor boeken, waarbij nog komt kijken dat mensen een roman meestal maar één keer lezen. Romans zijn dus eigenlijk nog makkelijker om achter je te laten.
Maar goed, je kunt het natuurlijk hebben over waar de grens ligt. Vanaf wanneer gaat een schrijver te ver? Is niet helemaal sporen genoeg om verstoten te worden? Moet je een schrijver die dooie ratten tatoeëert, in een envelop stopt en naar zijn vijanden stuurt bijvoorbeeld niet meer lezen? Of een schrijver met een dubieus beroep, een pooier of drugdealer? Is niet vriendelijk zijn voldoende om tot de schroothoop van de literatuur verbannen te worden? Dat lijken me vragen die van geval tot geval beoordeeld moeten worden. Het mooie aan de zaak Max Hell tegen de Vijftigers is echter dat de misdaad van Lübert en Andreus zo evident verkeerd is: nazisme. Als je in kaart wil brengen op welke misstappen je kunstenaars allemaal moet afrekenen, zijn nationaalsocialistische sympathieën wellicht een goed beginpunt.
Toch is ook voor mij één strofe van Lübert moeilijk te verloochenen, die gevleugelde uitspraak dat alles van waarde weerloos is. Ik mompel dat weleens als ik in dezelfde vervelende bui zit als waarin ik sic transit gloria mundi zou zeggen. In de hardnekkigheid van die uitdrukking schuilt misschien wel een wijsheid in deze zaak. Als je een citaat van een foute schrijver blijft gebruiken, willens en wetens, zonder te ontkennen dat iemand een nazi was, dan is het werk kennelijk van zodanige waarde dat de kunst de kunstenaar overstijgt. Pas als je iemands daden erkent, kun je oordelen wat zijn werk echt waard is. En alles van waarde overleeft het wel.
De standpunten van gastreaksionairen zijn niet noodzakelijkerwijs representatief voor die van de Redaksie

In afwachting van uw reaksie verblijven wij