Reaksie #006

In een ver verleden kwamen tijdens de Huizinga-lezingen nog werkelijk interessante sprekers aan het woord. Geen Ilja Leonard Pfeijffer of Maxim Februari, maar Karel van het Reve. Het was het jaar 1978, en Karel had de eer om grote namen als Rudy Kousbroek, Mary McCarthy, Jan Pen, en zelfs ieders favoriete onbegrijpelijke man, Noam Chomsky, op te volgen. Twintig jaar voorafgaand aan de Huizinga-lezing werd Karel aan de Rijksuniversiteit Leiden benoemd tot onderwijzer in de Slavische letterkunde. Destijds stuitte hij op een vraag die hem sindsdien nooit meer heeft losgelaten: wat moest hij ‘de kinderen’ over literatuur vertellen?

Wat blijkt, het nut van literatuuronderwijs was Karel volstrekt onduidelijk. Mensen kunnen toch zelf boeken lezen? Waarmee zou hij zijn leerlingen dan nog van dienst kunnen zijn, door ze deze boeken uit te leggen? Die gedachte leek hem ronduit krankzinnig. De verschillende vormen van proza worden immers geschreven met het publiek in gedachten, bedoeld om gelezen en begrepen te worden zonder uitleg. Nu, in een tijd waarin de leesvaardigheid van onze kinderen achteruitgaat, de ene na de andere vacature voor leesconsultant wordt uitgeschreven en we gerust kunnen stellen dat we ons in een Lesekrise bevinden, lijkt Karels klaagzang misschien moeilijk te begrijpen. We hebben toch juist méér literatuureducatie nodig, niet minder. Toch, beste lezer, is het juist in tijden als deze de moeite waard om ons af te vragen wat het nut van de literatuurwetenschap eigenlijk is.

Literatuurwetenschappelijke artikelen kunnen worden gedefinieerd als alle artikelen die voor Karel van het Reve fysiek onmogelijk zijn om te lezen. Dit fenomeen herkent u misschien wel op kleinere schaal: een enkele auteur die u graag zou willen lezen, maar bij wiens teksten u bij elke leespoging opnieuw moet vaststellen dat het u simpelweg niet lukt. Zelf heb ik dat met Thomas Mann: al halverwege de eerste alinea overvalt mij een diepe weerzin door zijn eindeloze zinnen en het plechtige getob van zijn verteller.Onze Karel had dit kwaaltje op grotere schaal. Zo schrijft hij zelf:

‘Ik lijd, zo lijkt het, aan de massale vorm van dit verschijnsel: het gaat niet om één auteur, maar om een hele school, die misschien het best gedefinieerd kan worden als de verzameling van alle geschriften waarin twee of meer verwijzingen voorkomen naar Käte Hamburger of Roman Ingarden.’

Dit kunt u meteen beschouwen als een uitbreiding van de definitie: literatuurwetenschappelijke artikelen zijn teksten die voor Karel van het Reve fysiek onmogelijk te lezen zijn én waarin minimaal twee verwijzingen naar Hamburger of Ingarden staan. U vraagt zich nu misschien af waarom Karel deze werken niet kon lezen. Of misschien bent u, net als ik, zelf literatuurwetenschapper en stelt u zich die vraag helemaal niet – u weet immers allang hoe verschrikkelijk saai onze teksten kunnen zijn.

Het is nu niet zo dat Karel te dom was om dergelijke teksten te begrijpen. Integendeel, hij was ervan overtuigd dat hij ze heel goed zou kunnen begrijpen. De inhoud was volgens hem namelijk allesbehalve ingewikkeld, hij had, zo benadrukte hij graag, in zijn leven veel moeilijkere teksten gelezen. Toch kwam hij niet verder dan de eerste alinea. Onverschilligheid was het ook niet. ‘Van kindsbeen af aan’ was onze Karel al geïnteresseerd in ‘de schone letteren.’ Hij had dan wel niet veel bellettrie gelezen, zo sloeg hij Maarten ’t Hart – terecht – liever over, maar verslond wel menig Duitse, Franse en Slavische literaire klassieker. Hij las graag over boeken, schrijven en schrijvers, dus men zou denken dat een literatuurwetenschappelijk werk hem alleszins zou moeten liggen. Het is bij Karel dus geen kwestie van een gebrek aan intellect of interesse; het probleem ligt ergens anders.

Wat Karel namelijk wel niet kon, was zich een weg banen door de jungle van jargon, overbodige verwijzingen en eindeloze zinnen waarin literatuurwetenschappers zich lijken te specialiseren. Hij vroeg zich af wat hij de kinderen moest bijbrengen, maar vond in de literatuurwetenschap niets waar hij zelf wijzer van werd. Niet omdat hij het niet begreep, maar omdat hij ervan overtuigd was dat er niets in stond dat de moeite waard was om te begrijpen. Zo bevond Karel zich, niet in staat ook maar één literatuurwetenschappelijk artikel uit te lezen, in een ongemakkelijke positie. Wat had hem kunnen helpen?

Misschien had iemand deze teksten aan Karel moeten voorlezen. Aan de ontbijttafel, gedekt vol croissantjes en wel vier soorten jam. Of nu ik erover nadenk, Karel lijkt me eerder een sobere ontbijter: een bord pap, koffie, heel misschien een glas verse jus op zondag. Aan de ontbijttafel dus, of samen in bad, ontspannen genoeg om de voetnoten over te slaan, of over te moeten slaan omdat de onderkant van het papier in het water belandt. Het zal ook allemaal wel waar zijn. We vertrouwen er op dat Herman Hesse het op pagina 138 echt over de spirituele leegte van het bourgeoismilieu en het geheime verlangen naar een leven als zwerfjongen in India heeft. Misschien had Karel het, in een warm bad, over zich heen kunnen laten komen – diep ademhalend, met gesloten ogen – en zichzelf daarna snel onder de douche af kunnen spoelen. Het zat er weer op, voorbij voordat je het weet. Ik had hem graag voorgelezen.

Maar deze droom blijft onvervuld, we weten nu nog steeds niet precies waarom Karel zo’n diepe afkeer had van de literatuurwetenschap. Gelukkig verklaart hij zichzelf nader:

‘Een mogelijke verklaring van mijn aversie zou kunnen zijn dat de beoefenaars der literatuurwetenschap meestal niet kunnen schrijven. Een goede zin, een treffende alinea zal men bij hen zelden aantreffen.’

Dat niet kunnen schrijven, merkt hij op, is tegelijk treurig en lachwekkend.In andere vakgebieden is die moeilijkheid veel minder problematisch. Richard Taruskin hoeft niet te kunnen componeren, Frank Evenblij hoeft geen bal recht te kunnen trappen en culinair recensent Mara Grimm hoeft niet te kunnen koken. Maar de literatuurwetenschappers hebben de pech dat hun onderwerp ook hun gereedschap is: zij bestuderen teksten, en moeten er tegelijkertijd zelf een produceren. Dat literatuurwetenschappers niet kunnen schrijven is voor Karel nog tot daaraantoe, maar dat ze niet kunnen doorstrepen vindt hij echt onbegrijpelijk, want als ‘zij zoveel verstand van literatuur hebben, waarom kunnen zij dan niet doorstrepen? Zo iemand, [ … ] moet toch [ … ] in staat zijn een leesbare van een onleesbare zin te onderscheiden.’ En dat was nog maar het begin van Karels kwetsbare poging om zijn ongenoegen over de literatuurwetenschap te verwoorden.

Wat kunnen wij, literatuurwetenschappers, doen om Karel vanuit het hiernamaals aan het lezen van onze teksten te krijgen? Wat moeten we schrijven, over Thomas Mann of juist niet over een Mann, om hem te verleiden voorbij die eerste alinea te komen? We weten tenslotte niet of hij daarboven iemand heeft die hem kan voorlezen, hoe het zit met zijn ontbijt, en of hij überhaupt nog wel eens in bad gaat. Wellicht moeten we eerst onderzoeken wat we níet moeten doen, en zien wat er dan nog overblijft van onze geliefde literatuurwetenschap. Onze bewijsdrang is zo sterk dat dit best even kan schrijnen. Voor de vorm: laten we doen alsof literatuurwetenschap totaal overbodig is. Alsof onze diploma’s volkomen irrelevant zijn, en onze observaties zonder enige waarde. Wat is het toch, Karel, dat deze teksten, ook die van mij, zo ondraaglijk maakt?

Het eerste probleem is dat literatuurwetenschappers volgens Karel de verkeerde vragen stellen. Waar lezers vaak makkelijk een waardeoordeel vellen over personages of de aanwezigheid van de auteur in een tekst, proberen literatuurwetenschappers dit juist te vermijden. Ze streven bewust naar afstand en objectiviteit, want een analyse is immers geen recensie. Toch is juist het vermijden van de échte vraag – hoe je een goed boek kunt beschrijven zonder het woord ‘goed’ te gebruiken, en een slecht boek zo omschrijft dat die beschrijving niet op een goed boek past – volgens Karel het kernprobleem. Door deze vraag te ontwijken, vermijden literatuurwetenschappers niet alleen een van de boeiendste kwesties van hun vakgebied, maar sluiten ze slechte literatuur ook nog eens uit, alsof die geen echt onderdeel is van de literatuur.

Over juiste vragen stellen gesproken, laten we vooral niet onderzoeken wat een 13-jarige Van het Reve zelf al kon bedenken:

‘Zo juist, dames en heren, heb ik gedineerd met collega Sötemann, en enige weken geleden heb ik zijn boek over Max Havelaar gelezen. In dat boek vertelt hij ons, geheel naar waarheid, dat je aan de ene kant Droogstoppel hebt en aan de andere kant Havelaar, en dat het boek eerst geschreven wordt door Droogstoppel, vervolgens door een onduidelijke Duitser, zekere Stern, die volontair is op het kantoor van Droogstoppel, dat we ook pennevruchten van Havelaar te lezen krijgen en dat ten slotte ‘ik, Multatuli’ de anderen de pen uit handen neemt voor de slotperoratie. En dat wisten we allemaal al lang. Ik merkte dat reeds op toen ik als dertien- of veertienjarige het boek voor het eerst las. Is het nu, vraag ik mij af, zo dwaas van mij als ik, het boek van Sötemann over die Havelaar openend, de wens koester daar althans enkele dingen over de Havelaar aan te treffen die ik niet heb opgemerkt, die nieuw voor me zijn?’

Dat we steeds maar voor de hand liggende dingen schrijven is één ding, maar erger nog is dat we dit ook nog eens op een onuitstaanbare manier doen. Omdat we beseffen dat wat we schrijven allang bekend is, proberen we de armoede van onze eigen vondst in omfloerste termen te verkopen, het liefst in het Duits, om zo een simpel punt in ontzettend veel woorden uit te drukken. Zoals ik nu ook in dit stuk doe, daar ben ik mij van bewust.

Deze verschrikkelijke pretentie, waar wij literatuurwetenschappers onder lijden, is voor Karel onaanvaardbaar. Waar andere wetenschappers hun beperkingen kennen en bescheiden zijn, denk aan de arts die zich ervan bewust is dat hij niet iedereen kan genezen, of de taalkundige die toegeeft dat taal niet volledig te doorgronden is, lijkt de literatuurwetenschapper hardnekkig respect af te dwingen. Karel van het Reve noemt dit een ‘afschuwelijke bekeringsijver’, een overmoed die het vak juist niet ten goede komt. Want, zo Karel: ‘Heeft men werkelijk iets te zeggen, heeft men werkelijk een ontdekking gedaan, dan treedt die ontdekking markanter naar voren naarmate men hem eenvoudiger, korter, begrijpelijker, simpeler formuleert.’

Samengevat: iets wat Karel in zes zinnen kan uitdrukken, daar hebben literatuurwetenschappers wel duizend woorden voor nodig, geïllustreerd met meerdere voorbeeldscènes om hun simpele observatie kracht bij te zetten. Dingen die bij goede literatuur worden geanalyseerd liggen zo voor de hand, dat ze net zo goed bij slechte literatuur geanalyseerd hadden kunnen worden. Nu blijft de vraag: hoe krijgen we Karel aan het lezen van onze teksten? Het antwoord is pijnlijk eenvoudig. We moeten ophouden met onszelf te willen laten gelden en erkennen dat wat we onderzoeken ook niet onderzocht had kunnen worden. Mensen kunnen ook vredig sterven zonder onze Wichtigtuerei. Accepteer dat het irrelevant is, of misschien gewoon niet zo ingewikkeld dat je er een heel artikel mee kunt vullen. Laten we ons voortaan alleen richten op wat Karel nog niet weet, zodat hij eindelijk antwoord krijgt op zijn vraag: wat hij de kinderen over literatuur moet vertellen. Alles voor Karel van het Reve!

Let wel, niet iedere lezer is zo slim als Karel. Voor de minder geoefende onder ons kan het geen kwaad om van een 5 Havo-docent uitgelegd te krijgen dat het vertelperspectief in Max Havelaar wisselt en uiteindelijk weer terugkeert bij Multatuli zelf. Niet alles ligt immers voor de hand, en niet iedereen ‘snapt’ literatuur zoals Karel van het Reve. Misschien is dat juist de echte pretentie, verborgen als een anti-pretentie, die ten grondslag ligt aan Karels fysieke beperking.

De standpunten van M. Theresia zijn niet noodzakelijkerwijs representatief voor die van De Redaksie



In afwachting van uw reaksie verblijven wij